Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

deze ging het alles minder spontaan. Maar hier was nu weder te veel overleg, te veel menschelijk opzet! Laat ons er iets van zien.

Wij wenschen even aan te roeren de zoogenaamde Amsterdamsche kwestie. Mag een kerkeraad, die, voor den Heere staande, te recht de vrijmoedigheid grijpt om leerlingen van moderne predikanten als zoodanig den toegang tot het Avondmaal te ontzeggen, dien toegang toch op een andere wijze weder openen, door zulke leerlingen te geven attesten van zedelijk gedrag, waardoor zij dan elders toelating zouden verkrijgen? Zulke attesten te geven, was op zich zelf iets onschuldigs. Doch hetgeen er mede beoogd werd, daartoe kon en mocht de kerkeraad niet medewerken. Men scheepte dan, gelijk met recht gezegd is, de dieven van de voordeur af en liet ze de achterdeur inkomen; om, er in zijnde, u hartelijk uit te lachen, dat gij de voordeur zoo goed vasthield, waar ze er toch van achter inkwamen. Door zulke dingen is de Kerk vreeselijk tot een spot geworden. Tot zulk een onwaardige houding mocht de kerkeraad niet besluiten. Toch was hij wel bereid de attesten af te geven, indien eerst gebleken was, dat de beweegreden van deze jongelieden was, „om den Heere Jezus als den eenigen en algenoegzamen Zaligmaker te belijden, die overgegeven was om onze zonden en opgewekt om onze rechtvaardigmaking". Een standpunt, waarmede m.i. een ieder die in deze recht wenscht te staan voor den Heere, zal moeten instemmen. Maar de jongelieden en vooral hun ouders, waren hiermede niet tevreden. Zij wisten wel, dat de kerkelijke besturen gewoonlijk slechts vragen gehoorzaamheid aan hun reglementen, opgemaakt niet ten dienste van Gods Woord of de belijdenis, maar in den grond ten dienste van den geest des tijds in de Kerk.

Het kerkbestuur gelastte 21 Oct. 1885, om de attesten binnen zes weken af te geven. Het is hier zoo duidelijk, dat de bloote reglementendwang aan het woord was. De dienst der reglementen, in plaats van de dienst van het Woord Gods.' Want 15 Jan. daaropvolgende werden die attesten niet eens meer vereischt! Waarom dan, waar de kerkeraad, en te recht, gewetensbezwaar had, aan de nog vigeerende bepaling, zoo niets ontziende, de hand gehouden? Als er nog eenige eerbied was geweest voor het Woord Gods in de Kerk, had men deze zaak niet zoo verhaast. Dat ook hier de ongeloovige en vijandige geest des tijds zich geprikkeld gevoelde, omdat een geest van gehoorzaamheid aan het Woord Gods in de Kerk weder het hoofd ophief, is duidelijk.

Maar ter zake. Men werd zich bewust, dat dit allicht tot verdere moeilijkheden zou leiden, tot schorsing misschien van een ge-

Sluiten