Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en den kinderen den zegen onthield, die in den doop ook voor hen was bereid".

Dit weinige aangaande de leer van den doop ') moest voorafgaan om veel van hetgeen volgen zal te verstaan. Nu wij zagen, wat men ten opzichte van den doop beleed, moeten wij nagaan hoe de practijk ervan was. Allerlei vragen komen hier in behandeling, zooals: waarmede en hoe moest er gedoopt worden? wie hadden het recht om te doopen ? wie mochten den kinderdoop ontvangen ? waar en wanneer werd de doop bediend? en dergelijke meer.

De Roomsche kerk eischte, dat de doop werd toegediend met echt en natuurlijk water (aqua vera et naturalis). Melk, bier, wijn of eenig ander vocht mocht dus niet gebruikt worden. Overigens deed het er niet toe, welk echt en natuurlijk water men er voor nam. Of het zeewater of regenwater, rivierwater of putwater heette, of het zout of zoet of bitter was, of het warm, lauw of koud genomen werd, de doop was er even echt om. Ook de Gereformeerde kerk wilde den doop toegediend zien „alleen met rein water" 3). Maar er moest dan ook inderdaad water gebruikt zijn, daar eene ,,bloote belesinghe des priesters" niet als doop werd erkend 3).

Bij het breken met Rome was men niet teruggekeerd tot de oorspronkelijke, maar reeds eeuwen algemeen nagelatene en in ons klimaat ook minder aanbevelenswaardige onderdompeling. Men bleef bij de besprenging met een weinig water op het voorhoofd, plaats hebbende onder het uitspreken van de sacramenteele woorden: „Ik doop u in den naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes". Of men éénmaal of driemaal besprengen zou, werd reeds door de synode van Emden in 1571 ,,voor

*) Zie over de leer van den doop: NederI. geloofsbelijdenis, Art. 34; en Heidelbergsche Catechismus, Zondag 26 en 27.

^ Nederl. Geloofsbelijdenis. Art. 34.

3) Zie Reitsma en van Veen, Acta der prov. en partic. Synoden, Gron. 1892—99. Dl. III blz. 115.

137

Sluiten