Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een middelmatig en vrij ding gehouden". Zij liet het aan eene volgende nationale synode over, daaromtrent eene beslissing te nemen. Dit is echter nooit geschied en ieder predikant kon daarom in dezen doen, zooals hij het oirbaar achtte.

Ieder predikant. De predikanten toch, de „bedienaren des goddelijken Woords" waren als zoodanig de eenige gerechtigden tot het toedienen van den doop. De dienst des Woords en die der sacramenten werden onafscheidelijk geacht. Wie tot den eersten niet geroepen of niet meer bevoegd was, mocht ook den tweeden niet vervullen. Duidelijk hebben zich verschillende synoden hierover uitgesproken. Zelfs geen professoren in de theologie zouden „moghen predicken noch de Sacramenten bedienen dan die totten dienst des woordts beroepen syn" '). En een Geldersche synode, te Arnhem in 1 600 gehouden, antwoordde op de vraag, „off eenen, die van dienst affgesatt is oft die selff den dienst veriaeten heeft, geoorlofft sij kinderen te doopen ? Neen, dewijle Christus bevoelen heeft te doopen, die hij bevoelen heeft te predijcken" 2). In Friesland had echter ook een proponent het recht om te doopen, dat hij evenwel alleen in die provincie maar uitoefenen mocht. Daarentegen besloot de Zuidhollandsche synode van 1601, dat een proponent zelfs het doopformulier niet lezen mocht, ook al doopte een predikant, „doordien dat den doop de geheele actie ende bedieninge des doops is, ende altyt van nooden is den volcke een merckelijck afstekende teecken te hebben tusschen den proponent ende wettelijcken herder" 3).

In het begin der zeventiende eeuw kwam het echter herhaaldelijk voor, dat ook anderen doopten. In Heusden had zich in 1589 het geval voorgedaan, dat „een privaet

') Nat. Syn. Dordr. 1578. Cap. III. art. 51.

2) Reitsma en van Veen, Acta IV. 93.

3) Reitsma en van Veen, Acta. III, 163.

138

Sluiten