Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de vraag: „Waeruoor men den Doop vande vagabunde Priesteren houden sal?" had de nationale synode van Middelburg in 1581 reeds ten antwoord gegeven : „Dewyle soodanighe Pastoren ende Capellanen, hoewel zij in haren plaetsen niet zijn, alsnoch beroepinghe hebben vander Roomsche Kercke ende niet gheheel voor private personen ghehouden connen worden, soo sal de Doop van hen bedient soo verre ghelden dat hij niet weder verhaelt behoeft te worden" O- Hiermede was dus feitelijk de ketterdoop erkend en deze erkenning hing, — ook ten opzichte van andere kerkgenootschappen gold dit, — af van de vraag, of de dooper bij de gezindte, waartoe hij behoorde, de macht en het recht had om te doopen. Deze beschouwing is steeds door de Gereformeerde kerk gehuldigd, hoewel enkele theologen het er met mee eens waren. Zoo beweerde bijv. de bekende Wilh. a Brakel ("j" 1711): „De Doop des ketteren is geen Doop"").

Alhoewel de doop niet absoluut noodig was ter zaligheid, achtte men toch het nalaten ervan ongeoorloofd en zondig. Dit toch was een miskennen van de genade Gods, een geringachten van een door Hemzelven ingesteld teeken en zegel van zijn genadeverbond. Wie echter éénmaal dit zegel ontvangen had, behoefde met nog eens gedoopt te worden, gelijk soms uit verkeerde overwegingen begeerd werd. Alleen in geval iemand niet zeker wist, of hij reeds gedoopt was, oordeelde men het geoorloofd de kans te loopen, dat hij voor de tweede maal gedoopt werd. Zoo werd bijv. in 1611 door de Friesche synode „op de voorstel van personen, die niet en weten, dat sij gedoopt ende oock gansch op geen wij se kennisse daervan conen crijegen, offt men se doopen off niet sal", geantwoord:

T) F. L. Rutgers, Acta van de Neder 1. Synoden der zestiende Eeuw, 's Grav. 1889, blz. 444.

2) Redelijke Godsdienst. 7e druk. Zierikzee 1717. Dl. I, blz. 957.

141

Sluiten