Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„de gelegentheijt so zijnde, dat men se behoort te doopen, als zijt versuicken" ). Brakel zag er dan ook geen principieel bezwaar in, want er „is in de nature der sake geen zwarigheyt, dat yemant ten tweeden-male verzegelt wierde van deselfde sake". De angst daarvoor spruit volgens hem voort „uyt een paepsche grondt van de kracht des Doops" ~).

Herhaaldelijk werden klachten vernomen over 't uitstellen van den doop, waarvan zoo licht afstel kon komen. De Geldersche synode yan 1 598 klaagde, „dat veele, bijsonder ten platten landen, haere kinderen ongedoopt laeten blijven, uiet alleene eenige weecken ende maenden, maer oock jaeren, tot merckelicke verachtinge des h. doops", en besloot daarom aan het Hof van Gelderland te verzoeken, dat dit een tijd zou bepalen, binnen welken men de kinderen ten doop moest presenteeren. In 1604 besloot zij, ten einde dit euvel tegen te gaan, dat de predikanten naarstig zouden zijn „int predijcken van de nootwendicheit deses sacramentz", dat zulke ouders bestraft zouden worden en de magistraten aangesproken, dat zij de „wijsen moederen" (vroedvrouwen) zouden gelasten den predikanten bekend te maken, wanneer er kinderen geboren zouden zijn. 't Schijnt weinig geholpen te hebben, want in 1618 achtte zij nog maatregelen van de overheid noodig, „dat daerin moge werden versien, dat die luijden op die platte landen haer kinderen niet ongedoopt laeten liggen tot 1, 2, 3 jaeren tho" i).

Ook uit andere provinciën hooren wij dezelfde klacht. De synode van Overijsel wenschte in 1615 van Heeren Gedeputeerden de vernieuwing van een placcaat, waarin o. a. ook bepaald moest worden, „dat men het doopen van de jonge kinderen niet te lang uyttestelle" '), De Groninger synode wendde zich in 1601 en wederom in

!) Reitsma en v. Veen, Acta. VI, 204.

*) t. a. p. I. 955.

3) Reitsma en van Veen, Acta. IV, 69, 123, 303.

4) Reitsma en van Veen, Acta, V. 297.

142

Sluiten