Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

consistorie ') oordeelen sal. Maar die affectie der ouderen, die den doop harer kinderen begheeren wt te stellen ter tijdt toe, dat de moeders selve hare kinderen presenteeren ofte op die ghevaders 3) langhe wachten, en achten de broeders gheen wettelicke oorsaecke te sijn om den doop wt te stellen" 3).

Eene niet onbelangrijke quaestie was hiermede ter sprake gebracht, nl, of de beide ouders bij den doop tegenwoordig moesten zijn. Volgens dit besluit kwam het er feitelijk minder op aan of, beter gezegd, het deed er in 't geheel niets toe, of de moeder bij deze ook voor haar even gewichtige plechtigheid als voor den vader, aanwezig was of niet. Zij werd eenvoudig ter zijde geschoven. De eerste hier te lande gehouden nationale synode, die van Dordrecht in 1578, drong ook op spoedige doopsbediening aan en sprak wel van de „ouders", die hun kind ten doop brengen, maar eischte toch: „de vader des kints dat te doopen is sal in sonderheyt by den doop wesen", waaruit dus bleek, dat men de moeder daarbij wel missen kon4). Beslister in den geest van 1574 sprak de nationale synode van Middelburg in 1581 zich uit: „De vader sal zijn kindt ten Doope presenteren" 8). Van de moeder is hier zelfs geen sprake, wel van getuigen. Evenzoo eischte de Haagsche Kerkenordening van 1586, terwijl zij in art. 50 aandrong op het zoo spoedig mogelijk laten toedienen van den doop, in art. 51 : „De Dienaars sullen haer beste doen ende daer toe arbeyden, dat de Vader sijn kint ten Doop presentere" 6); welke bepalingen de Dordsche Synode van 1618/19 woordelijk overnam in art. 56 en 57 van hare Kerkenordening. De bepaling, die hier en daar bestond,

*) kerkeraad.

2) getuigen.

3) Reitsma en vac Veen, Acta. II. 136.

4) Rutgers, t. a. p. blz. 250, 251.

°) Rutgeïs, t. a. p. blz. 391.

6) Rutgers, t. a. p. blz. 499.

146

Sluiten