Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dienen „tot bespottinge van den h. doop" '). Ook in andere provinciën ijverde men met kracht tegen het wegblijven der vaders. Hun verzet duurde hier en daar tamelijk lang. Maar langzamerhand gewenden zij zich er toch aan, hoewel er nu en dan nog wel eens blijk van onwil gegeven werd. Te Strijen bijv. weigerde in 1624 een vader tegenwoordig te zijn, omdat hij nergens in Gods Woord een bevel kon vinden: „Gy vader moet selve compareren over den doop van u kint" 3). Bij wettige verhindering had men tegen de afwezigheid des vaders echter geen overwegend bezwaar, maar die wettigheid moest dan ook blijken. Zoo bepaalde de Utrechtsche kerkeraad in Aug. 1658: „De vaeders moete staen over den doop der kinderen of anders moet er een briefje syn, dat sy belet hebben".

Volgens de Dordsche synode van 1578 moest de aangifte tot de doop door de ouders te voren plaats hebben ,,by den Kerckendienaar ofte eenen ouderlinck op dat de ghemeynte kennisse hebben magh van den ghenen die ghedoopt worden" 8). Deze bepaling, door latere synoden herhaald, was gemaakt ter wille van orde en regel en werd, maar niet overal, trouw onderhouden. Koelman klaagde in 1678 hieromtrent: ,,Maer dat legt ook buyten praktijk, dan alleen op Dorpen is hier en daer noch een uytterlijke gedaente daer van overgebleven" 4). De Groninger Kerkenordening van 1595 schreef voor (art. 38): „Unde sollen de Olderen de hare kinderen Doopen laten willen, des dages toe voren, eer de kinderen gedoopet worden, der kinderen name, ende de gheboorten-dach by den Predigeren angeven, und sullen die Predigeren, de namen der kinderen, de geboerte-dach, Item of se Ehelyck, oft Onehelijck

l) Reitsma en van Veen, Acta, VI, 61, 87.

*) H. J. Olthuis, De doopspraktijk der Gereformeerde Kerken in Nederland. 1568—1816. Utrecht 1908, blz. 193.

3) Rutgers, Acta, blz. 250.

4) Christophilus Eubulus, De Pointen van Nodige Reformatie. Vlis-

singen 1678. blz. 201.

148

Sluiten