Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geboren sindt, vlitich anteeckenen". Reeds het convent van Wezel in 1568 had het ,,ten hoogste dienstig" geacht „zoowel voor de kerk als voor het Gemeentebest", dat de namen der kinderen, ouders en getuigen in de publieke registers werden opgeteekend. Zoo ontstonden de doopboeken, die mettertijd feitelijk dienst deden als registers van den burgerlijken stand, zoodat een doopceel gold als geboorteacte.

Wat de namen der doopelingen aangaat, ook daarmede bemoeide zich de kerk. De ouders waren natuurlijk vrij hunne kinderen te noemen zooals zij wilden. Alleen achtte de kerk eenige beperking gewenscht. De nationale synode van Dordrecht van 1578 bepaalde en die van Middelburg van 1581 bevestigde zulks: „Het is vry sulcke namen den kinderen te gheven alsmen wil, nochtans sal een yegelick vermaent syn dat hy die namen die of Gode ofte Christo eyghen syn als daer syn Emanuel, Salvator etc. ofte der officien ende bysondere diensten als Enghel, Baptista etc. of de welcke andersins superstitieus syn, den kinderen niet en late ghegheven worden" x). Dat men zich aan deze bepaling niet altijd stoorde, blijkt uit tal van voorbeelden, waarvan ik hier alleen maar noem de namen der de Ruyters, vader en zoon, Michiel en Engel.

Wij hebben reeds een paar maal in 't voorbijgaan gesproken van getuigen, die een overblijfsel waren uit de Roomsche kerk, maar om allerlei redenen door de Gereformeerden toegelaten, door velen zelfs zeer gaarne behouden werden. Het convent van Wezel (1568) had het gebruik van zulke getuigen of gevaders 2) vrijgelaten. Men mocht van hen gebruik maken, maar noodig was het niet. De synode van Emden (1 57 1) hield het „voor een middelmatigh dmck en wilde „den Kercken haer oude ghewoon-

') Rutgers, Acta. blz. 250, 408.

'*) ,,Quos Compatres vulgus vocat". Rutgers, Acta, blz. 28. 149

Sluiten