Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ende met tekenen van spotternijen ergernis geven". De Zuidhollandsche synode van 1620 antwoordde daarop het volgende: „sal het stils wijgen der getuigen gehouden werden voor consent ende toestemming ende sullen de spotters bestraft ende by gelegentheit vermaent ende, hartneckig blyvende, den officier aengegeven worden" 1).

Soms deed zich echter het geval voor, dat ongedoopten zich aanmeldden om getuigen te zijn. De Zuidhollandsche synode van 1590 keurde dit natuurlijk af, „dewyl sulck een persoon niet anders en can gheacht worden als buyten Godts verbondt staende ende daerom niet en can als gheiuyghe staen over de aennerninghe van eenen anderen tot Godes verbondt, daer hij niet selven toe en ghehoordt" 2). Ook tegen eene bepaalde categorie van personen had men soms bezwaar. De Zuidhollandsche synode van 1600 bijv. vond het maar zóó-zóó, dat een lombardhouder getuige zou zijn. De predikanten moesten daarom het volk vermanen, alleen zulke personen tot getuige te nemen, die „vroom" en „sonder opsprake" waren. Lombardiers zouden echter, als de ouders het wenschten, als getuigen „ghetolereert worden tot op den naesten generalen synodum". Een jaar later besloot de Geldersche synode op de vraag, of men „die lombarden ende hare familien" als getuigen zou toelaten, dat men dit „in deliberatie leggen" zou met de benabuurde synoden 3). In 1632 bepaalde zij echter, dat „die Leen-tafelen hebben, mogen soo wel, als andere staan over den Doop van hare Kinderen". Ter verklaring hiervan dient misschien, dat de synode meende te weten, dat er toen in de provincie „geen Lombarden" waren ).

Dat een getuige „vroom van wandel" moest zijn, vernamen wij reeds. Het was niet overbodig, daarop den

*) Reitsma en van Veen, Acta. III, 444, 445.

*) Reitsma en van Veen, Acta. II, 376.

3) Reitsma en van Veen, Acta. III, 155; IV, 92.

4) Joh. Smetius, Synodale Ordonnantiën ende Resolutien, 2 dr. Nijmegen 1736 blz. 123.

152

Sluiten