Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nadruk te leggen. Door de Geldersche synode van 1606 werd dan ook op de vraag, ,,of een persoon, die ex professo afgoodisch ofte van weghen hoerdernje, ooverspeel etc. ïnfam is, mach als ghetuyghe tot den heylligen doop toegelaten worden", geantwoord, „dat sulcx niet moet gheschieden 1). De ouders namen het bij het kiezen van getuigen vaak niet al te ernstig op en de predikanten schijnen op de waardigheid en degelijkheid der getuigen met steeds streng toegezien te hebben. Dit blijkt o.a. uit een klacht van de Zeeuwsche synode van 1610, dat „openbare goddeloose spotters ende verachters der religie als ghetuygen toegelaten werden . Zij verbood daarom de namen der zoodanigen „in het register" aan te teekenen en besloot de gemeenten „neerstelyck" te vermanen, „geene socianige tot getuygen te nemen ende de lidmaten, die se genomen zullen hebben, by laste des kerckenraeds daerover aen te spreecken . Tien jaar later gelastte zij den predikanten, „in haere predicatien het volck [te] vermaenen, dat dieghene, welcke over den doop haerer kinderen ghetuijghen ghebruijcken, zulcke daertoe nemen, die den Heere vreesen ende willich zijn haere kinderen in de waere godtsalicheijt te üelpen bevoorderen "). In Friesland eischte men, dat de „Metvaders en Metmoeders of Getuigen, die in het bedienen des Doops verschijnen of assisteeren, zullen zijn voijaange, de waare Religie toegedaan en vroom van wandel" 3).

Met minder mocht men inderdaad ook niet tevreden zijn indien men van de getuigen wilde, dat zij in staat zouden wezen hun taak te vervullen, n.1. de ouders bij te staan in de christelijke opvoeding der kinderen of, bij ontstentenis van vader of moeder, hun plaats als opvoeders

0 Reitsma en van Veen, Acta, IV, 147.

0 Reitsma en van Veen, Acta. V, 99, 166.

) Reitsma en van Veen, Acta. VI, 82, - Compendium der

kerkelijke wetten van Friesland. Tit. XXXIV. Art. IX.

153

Sluiten