Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Interessant is wat wij drie maanden later vernemen: „den 16 December Ao. 1629 is gedoopt een kindt met name Frederick. De ouders zijn Peter Donck, Majoor, L ij s b e t h Peters, de Peterens waren de geheele Magistraet van den Bossen, hiertoe is gedeputeert Mijn Heer Schepen Baccaert Doctor in de Rechten, Petjen is de Huijsvrou van Mijn Heer Hendrick Kuijsten, President deser Stadt" 1).

Een heele stadsregeering benevens de vrouw van den president-burgemeester als getuigen, dat was wel het non plus ultra van deftigheid, nog deftiger haast dan dat men alleen de Princes of den Prins van Oranje als getuige had. Of deze deftigheden zich later veel bekommerd zullen hebben om het geestelijk welzijn van hun petekinderen en zich ook maar iets aan dezer godsdienstige opvoeding gelegen zullen hebben laten liggen, meen ik met eenigen grond te mogen betwijfelen. In de voornaamheid en de veelheid der getuigen was het dus ook al niet gelegen. Een algemeene bepaling aangaande hun getal bestond niet. Wel klaagde de Zeeuwsche synode van 1597 over ,,de veelheijt der getuijgen en besloot zij de Staten te verzoeken, „datter op sekere pene verboden mochte worden, datter voortaen over elck kint ten hoogsten maar vier getuijgen en sullen genomen worden". De Gecommitteerde Raden stelden daarop 28 Mei 1597 vast, dat men „niet meer als drije ofte ten hoochsten viere getuyghen" mocht hebben. Dit schijnt echter niet geholpen te hebben, men nam toch zoovelen als men wilde, en de synode van 1610 bepaalde daarom, „dat men degene, die boven het toegelaten getal overich syn, wt het register laten zal", m.a.w. dat hunne namen niet in het doopboek mede aangeteekend zouden worden, gelijk anders altijd met die der getuigen geschiedde 3).

') . Meindersma, De Geref. Gemeente in 's Hertogenbosch 1629—1635. Zalt-Bommel 1909, blz. 16, 32.

2) Boete.

3) Reitsma en van Veen, Acta. V, 44, 102.

155

Sluiten