Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

mo beschreven, underhalden worden" 1). De nationale synoden van 1581 en 1586 handhaafden het verkorte formulier, dat al spoedig achter de psalmboeken gedrukt werd en daardoor zulk een ingang vond, dat het langere na 1600 geheel op den achtergrond trad en weldra nergens meer werd gebruikt2). De Dordsche synode van 1 61 8/1 9 stelde het dan ook vast, en bracht de daarin voorkomende vragen 3) in de tegenwoordig nog gebruikelijke redactie ')• Over het stellen van vragen en over de vragen, die men stelde, is heel wat te doen geweest. Overal in de Gereformeerde kerk wilde men, dat dit zou geschieden. Maar niet overal deed men in den beginne dezelfde vragen. Er is bij a Lasco en Micronius verschil in de opgave der vragen, zooals zij bij de vluchtelingen-gemeente te Londen gebruikt werden ). Anders luidden zij in de Pfalzische liturgie, terwijl zij in Datheens uitgave weer een anderen vorm hadden, die de grondslag werd van de tegenwoordige vragen. De Dordsche synode van 1574 wilde dat men zich houden zou aan de vragen ,,alsoo se achter den Catechismum staan", d.i. dus naar de redactie van Datheen. Zij wilde daarbij echter de noodige voorzichtigheid in acht genomen zien en bepaalde daarom ten opzichte der ouders: „die vragen bij den doop sal men hem alsoo voorsichtelick voorstellen, dat dieghene, die van den gelove vremt mochten syn, door locheninge ofte geweigerde antwoorde met enige geruchte in den gemeente anrichten". De getuigen, zooals wij boven reeds zagen, behoefden ze echter niet te beantwoorden, maar men kon volstaan met hen te „vermanen", dat zij de door hen

1) Reitsma en van Veen, Acta. IV. 5.

2) Rutgers, Acta. blz. 391, 499, 507.

3) Zie boven blz. 25, noot 2.

4) Post acta. Sess. 162, 176.

5) J- W. F. Gobius der Sart, De gesch. v. d. Liturgische geschriften der Ned. Herv. Kerk op nieuw onderzocht. Utrecht 1886, blz.

138, 139.

167

Sluiten