Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gemakkelijker te maken. De Dordsche synode van 1618/19 koos den middelweg tusschen Datheen en den DeuxAas-bijbel, door vast te stellen „in de Christelijke kerk alhier". In verband daarmee is het opmerkelijk, dat de Friesche synode van 1620 een besluit nam, „dat die twede vrage aldus sal voorgestelt werden: oft gij niet bekent, dat die leer, die uit Oude ende Nieuwe T. ende articulen des christelijcken gelooffs begrepen is ende diensvolgens in de christeüjcke kercke geleert wordt, etc." ')• Met dit besluit hadden ook de Remonstranten zich kunnen vereenigen.

Aanleiding tot eene andere quaestie gaven enkele woorden uit de eerste doopvraag, waardoor de ouders omtrent hunne te doopen kinderen beleden, „dat zij in Christus geheiligd zijn". Hiertegen had o. a. de bekende Utrechtsche predikant Jod. van Lodenstein bezwaar 2). Volgens hen gold dit alleen den kinderen der geloovigen, d. w. z. van hen, die voor zooveel wij oordeelen kunnen geloovigen zijn, en deze alleen mochten dan ook gedoopt worden. Lodenstein schijnt dan ook, als hij den doop bediende, deze wooiden uit de eerste vraag niet gebruikt te hebben. Ja wij weten, dat hij „merkelijke vryheit ontrent den Doop gebruykte, ende zich niet wilde binden aan dat Formulier" 3). Zelfs deelt Theophilus Paresius ons mede, dat hij en zijn collega Gentman het formulier niet voorlazen 4). Sommige predikanten en gemeenteleden waren het met hem eens, o. a. een predikant te Amersfoort, wiens collega's nu hierover een queritur indienden bij de classis, welke voorschreef, dat men zich moest houden aan het formulier, maar tevens de zaak bracht voor de synode van 1675. Deze ontweek de quaestie, maar die van 1676 beval, dat het formulier

*) Reitsma en van Veen, Acta. VI, 287.

2) Ypey en Dermout, t. a. p. II, 261 enz.; P. Jzn. Proost, Jodocus van Lodenstein. Amst. 1880, blz. 158 enz.

3) Christophilus Eubulus, t. a. p. blz. 197.

4) Proost, t. a. p. blz. 161.

171

Sluiten