Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gelezen moest worden „sonder eenige veranderinge". Deze maatregel gold dus ook de eerste vraag. Volgens Koelman heeft Lodenstein „daer tegen opentlijk geprotesteert, als oordeelende den zeiven schandelijk en schadelijk, Tyrannisch, en enkel daer toe dienende, om den dooden en doodenoen sleurdienst in de Kerk noch meer te bevestigen, op dat so door dien ouden trant en slenter alle Geest, kracht en pit van de Godsdienst mocht weg-gaen". Lodenstein s dood (6 Aug. 1677) brak echter voorloopig alle verzet, hoewel veler tegenzin tegen de eerste vraag bleef bestaan. In 1723 werd de quaestie nog eens op de baan gebracht door vier Utrechtsche predikanten. Er ontstond een pennestrijd, maar in 1 729 maakten de Utrechtsche Staten aan den twist een einde door alle schrijven over deze zaak te verbieden.

Lodenstein was niet de eenige, die bezwaren had tegen het slaafsch gebruik van het doopformulier. Tot de tegenstanders dat woordelijk gebruik van alle formulieren, behoorde vooral Koelman. Volgens hem heeft het „verscheyde gebreklijkheden, en onbequaame, indien niet ongesonde uytdrukkmgen, welke zommige tot een aanstoot zijn". En hoe de lezing van het formulier „uyt gewoonte en na de sleur onwillekeurig er toe leide om de plechtigheid van den doop te verlagen, doet hij duidelijk uitkomen ')•

De Gereformeerde kerk heeft, in tegenstelling met de Roomsche en de Luthersche er steeds den nadruk op gelegd, dat de doop moet worden bediend in het midden der gemeente. Reeds te Wezel besloot men: „nergens anders noch op eenige andere wijze dan in de samenkomsten der kerk bij de prediking en den catechismus De ver¬

schillende provinciale en nationale synoden besloten zonder

') Christophilus Eubulus, t. a. p. blz. 195, v.v.

) ,,non alibi neque alias quam in ecclesiae conventu sub concione et catechismo". Rutgers, t. a. p. blz. 28.

172

Sluiten