Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

onderscheid in denzelfden geest. Er mocht alleen gedoopt worden „in den openbaren versamehnghen der Kercke bij de vercondinghe des goddelicken woordts„niet anders als publice", „in de ordinanse christelycke byeencomste ende ter plaetse daertoe gedestineert" '). De Dordsche Kerkenordening van 1618/19 bepaalde dan ook (art. 56): „in openbare versamelinghe, wanneer Gods Woordt gepredickt wordt".

Daar de godsdienstoefeningen op den Zondag gehouden werden, was die dag dus ook de aangewezen dag voor de doopsbediemng. Toch heeft men al spoedig verlof gegeven om ook in de week te doopen. Zoo besloot de Dordsche synode van 1574 reeds: „Inden plaetsen daer selden predicatien gheschieden, ende nochtans kinderen te doopen sijn, sal eenen tijdt gheordonneert worden, datmen de kinder inde Kercke ten doop brenghe, Ende men sal een teijcken met der clocke gheuen, 't volck te samen roepen, ende een corte predick voor den Doop doen" "). In denzelfden geest werd besloten door de nationale synode van 1578, 1581, 1586 en 1618/19. Laatstgenoemde synode bepaalde in hare Kerkenordening (art. 56): „Doch ter plaetse daer niet soo veel Predicatien ghedaen worden, salmen eenen sekeren dach ter weke verordenen, om den Doop extraordinaeriijck te bedienen, soo nochtans, dat t 'selve sonder Predicatie niet en gheschiede". In Overijsel bestemde men in 1619 nu daarvoor den Donderdag 8). Het volgende jaar bracht men in Zeeland zelfs de vraag ter sprake, of het niet goed was twee weekdagen voor den doop vast te stellen. Men bleef echter bij éénen dag. ,,Maer zoo het gheviele, dat eenich kindt (naer den ordinaren dach van doopen in de weecke ghebooren zijnde) cranck wierde, in sulcken ghevalle zullen de respective

') Rulgers, Acta. blz. 146, 167, 249, 391, 499; Reitsma en van Veen, Acta. IV. 77; V, 56; VI, 175, 326; VII, 13.

*) Rutgers, Acta, blz. 167.

3) Reitsma en van Veen, Acta. V, 317.

173

Sluiten