Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

private doop, hoewel telkens weer verboden, in enkele gevallen toch toegestaan. Zoo reeds te Wezel. Het convent bepaalde: de doop alleen in de samenkomsten der gemeente; maar voegde er aan toe: „Tenzij het wellicht noodzakelijk zal zijn in den aanvang bij een kerk, die pas ontstaan is, rekening te houden met enkele zwakken en hun ter wille om ergernis te vermijden de kinderen, die met krankheid bezocht zijn, aan huis te doopen. Maar zelfs dit wordt niet toegestaan dan in tegenwoordigheid van ten minste vier of vijf geloovigen en slechts zoolang totdat door een besluit der synode hierin op andere wijze zal voorzien geworden zijn" x).

Velen waren op zulk een huisdoop gesteld. Dit blijkt uit eene mededeeling van den predikant te Soest in de Utrechtsche synode van 1606, dat zijne gemeentenaren „te vooren hadden versocht, dat men de doop bedienen ... soude in de huijsen, doch dat nu meestal affgebracht zij" 2). En in hetzelfde jaar bestrafte de synode van Overijsel den predikant te Wezepe, Joh. Hartnack, omdat „hij binnenshuis buiten raedt und believent des classis sijns dochters kmdt gedoopt hefft, hetwelcke gedaen is tegen alle kerckenordeninge" s). Daarenteg en besloot de Groninger synode van 1607, dat de doop in de openbare godsdienstoefeningen bediend zou worden, doch met deze restrictie: „dar etwas mochte vörfallen, daer het schene nodich te sin anders te doehn, sall met raeth ende vörsichticheit daerin gedahn ende verfahren worden" 4). In gelijken geest had de Utrechtsche synode reeds ten vorigen jare besloten, dat alleen indien de „wtersten noot" het vorderde, de doop, „om meerder inconvenienten te vermyden, in huys geschiede, daerinne de dienaer sich discretelyck ten dienst

') Vgl. Rutgers, A c t a, blz.. 28.

z) Reitsma en van Veen, A c t a. VI, 310.

3) Reitsma en van Veen, A c ( a. V, 272.

4) Reitsma en van Veen, Acta. VII, 129, 143, 154.

178

Sluiten