Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

(Een broeder schreef mij, dat hij dagelijks den Heere ernstig bad, dat ik zoo eerlijk mocht zijn om te bedanken, daar ik het vertrouwen der schoolvrienden had verbeurd en als „man van karakter" aan de school nooit op mijn plaats kon zijn. Indien ik nog eenige „teederheid der ziele" bezat, en deze zaak „in alle oprechtheid voor Gcd bracht," zou ik moeten bedanken).

Maar anderzijds werd aannemen plicht geacht:

le. Omdat het ongeoorloofd is een benoeming, die door ds hoogste vergadering der kerken onder aanroeping van Gods naam wordt uitgebracht, en dus als een goddelijke roeping moet worden beschouwd, af te wijzen.

^.e. Omdat ik door het gaan naar Kampen zou kunnen mede" werken tot bevestiging van de „eigen inrichting".

3e. Omdat ik door de hoogleeraarspositie te Kampen te aanvaarden zou kunnen medehelpen het bestaan der school beter tot een goed einde brengen, om dan na volbrachten arbeid (alias moord) tot het predikambt weder te keeren. (Dit laatste advies kwam niet van de vrienden der school).

4e. Om van uit Kampen de vredeshand uit te strekken naar Amsterdam, en alle pogingen in het werk te stellen, dat zoo spoedig mogelijk het huwelijk tusschen school en faculteit kon worden ingezegend.

Ook bij deze raadgevers naderde de warmtegraad der overtuiging weieens de grens van het paroxisme. Een zeer hooggeschatte broeder ontzegde mij in allen ernst zijn achting en vriendschap indien ik durfde bedanken.

Een andere broeder meende persoonlijk mij te moeten bezoeken, om mij op bijna hartstochtelijken toon te verzekeren, dat ik het ongenoegen Gods zou ondervinden, indien ik mij onttrok aan deze roeping. Het zou mij zeker gaan als Jona, die, de stem des Heeren ongehoorzaam zijnde, door het onweder Gods werd ingehaald (Waarschijnlijk heeft deze broeder niet bedacht, dat een uitwerking van dit beeld nu niet bepaald vleiend voor Kampen zou zijn, en ook dat de ongehoorzame Jona tenslotte toch de gevreesde stad moest ingaan.)

Nog een andere ontmoeting droeg een niet minder imponeerend karakter. Op een van Amsterdams pleinen werd ik aangehouden door een groepje „kleine luyden", blijkbaar juist in levendige woordenwisseling over den aanstaanden professor gewikkeld. Een eenvoudig moedertje hield mij vast bij den arm, en gaf mij op een toon, die geen tegenspraak toeliet, te

Sluiten