Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nadert. Naar hun beginsel moeten zij het recht van onderwijs, gelijk dit aan de V. U. gegeven wordt, ontkennen, en toch zijn het mede, ja, in hoofdzaak de vrienden van dit onderwijs (althans de tegenstanders, van hun beginsel), die over hun school (immers nog steeds de school der kerken) zeggenschap hebben. Op de synode en in het curatorium beslissen in laatste instantie niet zij, maar degenen die hun beginsel niet deelen. De macht ten opzichte van de school die zij liefhebben, bewaken, door voorbeeldige offers verzorgen, ligt niet bij hen bij maar de „anderen".

Indien het aan hen lag, zij zouden de school laten beheerschen door curatoren, aan de school laten doceeren hoogleeraren, die hun leuze deelen. Maar nu dit anders is, mengt zich in hun positie een pijnlijk, bijna tragisch element. En waarlijk, gelijk ik reeds opmerkte, in hun positie niet alleen, maar ook in de verhouding der andere groep. In den toestand onzer kerken zelve is iets abnormaals, tweeslachtigs.

Aan de ééne zijde staat de „meerderheid", die, als zij wil, het beslissende woord kan spreken, haar wensch tot wil kan verheffen. Zij heeft de macht. Tot dusver heeft zij van die macht geen misbruik gemaakt. Integendeel, zij heeft, misschien niet steeds «van ganscher harte", der school gegeven wat haar toekomt. De curatoren hebben haar nimmer onrecht gedaan. Met name de laatste synode heeft getoond haar professoren te willen geven, die aan haar opbloei zouden kunnen medewerken.

Maar de verhouding zelf tot de school is daarom niet gezond. Naar den kijk, dien deze broeders op de kerkelijke wereld hebben, zouden zij de school in haar tegenwoordige positie liefst niet gehandhaafd zien. Zij wenschen eenheid, samenbinding. Zij betreuren de mislukking op de Arnhemsche synode. Het valt hun, begrijpelijkerwijze, weieens moeilijk van hr.rte voor de school te geven, te ijveren, te bidden.

En de vraag is gewettigd, of de broederen dezer „meerderheid" ten allen tijde wel alles vermeden hebben, wat de schoolvrienden krenken kon, of er wel steeds een zuivere harmonie geweest is tusschen hun „gedachten, woorden en werken" ten opzichte van de school, of er wel steeds genoegzaam gerekend is met de zoo stellige beloften eenmaal ten aanzien van de school afgelegd, of wel immer genoegzaam bedachtzaamheid, geduld, en zelfverloochening is betracht ?

Ze zouden volmaakte heiligen moeten zijn, wanneer op deze vraag absoluut bevestigend geantwoord kon worden.

Maar niet minder mag aangaande de „minderheid', een vraag

Sluiten