Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Acht men eenheid van opleiding in het belang der kerken — en ik behoor tot dezulken — dan zal die vereeniging het best tot stand komen door de school niet te verzwakken, maar te versterken. Een wezenlijke vereeniging komt slechts tusschen twee levende en bloeiende organismen tot stand.

Zie, dit stelde ik mij aanvankelijk voor: naar Kampen te gaan om mee te arbeiden aan den bloei van het onderwijs aldaar, maar met het doel tevens om te bevorderen in eerlijken en wettigen weg de samenbrenging der twee „opleidingsscholen" (sit venia verbo).

Ik meende om dezelfde reden, waarom ik eenmaal een curatorschap aannam, n.1. verzorging in de richting van verzoening, ook thans een professorschap te kunnen aanvaarden.

En ook na mijn beslissing blijf ik van overtuiging, dat iemand van mijn beginsel met een eerlijk hart naar Kampen kan gaan.

Strikt genomen zie ik in de methode van opleiding der dienaren des woords niet een zwaarwichtig, onveranderlijk beginsel. Wat het vraagstuk der opleiding betreft deel ik nog steeds van heeler harte de beschouwing van Dr. Bavinck, en van mijn eigen vader, neergelegd in de brochure Opleiding en Theologie Daar staat: „Het is eigenlijk onjuist te spreken van een beginsel. Eene eigene inrichting ter opleiding kan om allerlei gewichtige omstandigheden gewenscht zijn ; geboden door het Woord Gods is ze niet. Dus komt de kwestie in heel ander licht te staan. Dan kan niet meer gezegd worden: de kerken moeten een eigene inrichting hebben; daartoe zijn zij van Godswege verplicht. Maar dan luidt de vraag : zijn de toestanden in en buiten de kerken van dien aard, dat eene eigene inrichting, wenschelijk, aanbevelenswaard, nuttig, ja, in dezen zin, noodzakelijk is (bl. 52) ?

Ziehier ook mijn opinie. Naar de tegenwoordige tijdsomstandigheden, lettende op het karakter en de nooden onzer eeuw, geef ik aan universitaire opleiding (met zuivere handhaving, ten opzichte van de theologische vorming, van het recht der kerken) de voorkeur. Maar een opleiding, gelijk die in Kampen plaats heeft, acht ik volstrekt niet ongeoorloofd of onschriftuurlijk? Tegen de school als zoodanig heb ik nooit één woord van bestrijding of miskenning gezegd. Ik heb mij niet schuldig gemaakt aan wat de Arabier noemt: een steen werpen in den put, waaruit men gedronken heeft. Men heeft mij in dit opzicht menigmaal valschelijk beoordeeld en onrechtvaardig beticht. Naar mijn overtuiging eischt de billijkheid, — hoe pijnlijk ook de tweeheid van opleiding is, — dat de school der kerken gehandhaafd blijve,

Sluiten