Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

beloften van dat Verbond aanvaard; maar als uit genade, genade des zelfden Verbonds ons geschonken. En zelfs dat geloof, het moge, ziende op den mensch, in zekeren zin (nooit Remonstrantsch in voorstelling) voorwaarde worden geheeten, het is tevens een voorwaarde die zelve in hare beleving en activiteit reeds vrucht van dat Verbond moet geheeten.

Moeten we hier dan niet getuigen ziende op oorsprong en wijze der rechtvaardigmaking Noachs en dies ziende op zijn behoudenis, moeten we niet getuigen: 'tis alles tot verheerlijking Gods, met algeheele ontkenning van eenige verdienstelijkheid of waardigheid in het schepsel ? Die wandel met God, dat geiooven aan Gods vermanende aanspraak, dat bouwen der ark, dat bewaard worden in Gods kracht, dat straks in veiligheid rusten op den Ararat, moet ge er niet van uitroepen: alle deze dingen zijn uit God; opdat alle roem zij buitengesloten, en God alleen eeuwig de glorie ontvange ?

En als om de teekening hiervan te voltooien, wordt na den vloed ons nog de zoo droeve bladzijde uit Noach's levensgeschiedenis vermeld. Zie, diezelfde Noach ligt straks dronken in schaamteloosheid in zijn tent neder. Ik bidde u, spot er niet mede, maar wees evenmin geneigd om den eersten steen ter veroordeeling op te nemen. Zie er liever in, hoe zelfs Gods liefste kinderen in zichzelf geen weerkracht bezitten. Hoe ze, aan zichzelf een oogenblik overgelaten, blijken zwak van moed en klein van kracht te zijn; hoe zij als heldenfiguren des geloofs, dit toch niet anders zijn, dan uit en door God, in zichzelf echter enkel zwakte en bederf. Opdat ge zoodoende voorzichtig wandelen leert; niet hoogmoedig op uw genadestaat wordt; leert verstaan, dat God u niet slechts klein moet maken, maar ook klein moet houden; en bovenal, opdat, zonder de zonde ook maar in het minst in bescherming te nemen, ja haar juist diep verachtende, allermeest in Gods kinderen, opdat ge zult roemen in de trouw van uw God, roemen in de onwankelbaarheid van Zijn Verbond. Want dat en dat alleen toch houdt de ark drijvende. En wel verre er van daan, dat dit de zalige genieting der behoudenis zou verminderen, is het juist het geheim van de wezenlijke godzaligheid en der echte vreugde in God. Gods glorie is des volks zaligheid; des volks zaligheid tot glorie van hun God.

Sluiten