Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in Zijne grondelooze barmhartigheid gegeven heeft, om wederom tot het leven en tot de gerechtigheid te komen.

Dit weten wij, dit vieren wij: Des eeuwigen Vaders eeuwige Zoon heeft Zich, naar den raad Gods tot onze zaligheid, in onzen doodsnacht willen inbegeven, — Hij heeft ons willen bezoeken in onze eeuwige duisternis, in onzen ellendigen toestand. Het is eene daadzaak, een feit, het is waarachtig geschied: Jesus Christus is een in vleesch gekomene. Dit wilde Hij zijn naar den wille Gods. En de belofte aan den verloren', den dood toegevallen mensch, in het paradijs gegeven, de belofte van het Vrouwezaad, Hetwelk den menschenmoorder van den beginne den kop vertreden zou mitsgaders zijnen harigen schedel, — de belofte aan Abraham gegeven: „In uw Zaad zullen alle volken der aarde gezegend worden", — de belofte, aan David* zoo plechtig herhaald, dat deze daarover uitriep: „Dat is eene wijze van een Mensch, Die God de Heere is", — zij is gekomen, al heeft het ook lang geduurd, al hebben de aartsvaders ook dikwijls moeten schreeuwen: „Sta op Heere! tot Uwe rust, Gij en de Ark Uwer sterkte!" En hoe is zij gekomen? Zij is gekomen, zooals de Gemeente het van alle tijden betuigd heeft: De raad des Heeren bestaat in eeuwigheid, de gedachten Zijns harten zijn van geslacht tot geslacht; en: wat Hij belooft, dat houdt Hij gewis. En wat was Gods raad? Het was de raad Zijns willens, tot prijs Zijner genade, voor eeuwig verlost te hebben hetgeen verloren was. En de gedachten Zijns harten, — waren het niet gedachten des vredes voor Zijn volk? En Zijne toezegging, bestond die niet daarin: „Mijne goedertierenheid zal van u niet wijken, en het verbond Mijns vredes zal niet wankelen?" O mijne Geliefden! hoe goed moet het aan de verslagene en verootmoedigde harten doen, het Evangelie, dat wij vóór ons hebben, van uit dit standpunt te beschouwen.

Als wij aandachtig nagaan, wat in de drie eerste Verzen

Sluiten