Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ten tijde van keizer Augustus was het juist Gods tijd, dat de groote waarheid aan den dag kwam! Beiden, Joden en Grieken, zijn allen onder de zonde; hier is geen onderscheid; zij zijn altemaal zondaren en derven de heerlijkheid Gods; en waar de zonde meerder geworden is, daar is de genade veel meer overvloedig geweest. —

De personen en werktuigen, waarvan God Zich tot uitvoering van Zijnen raad bedient, hebben wel geheel andere dingen op het oog; zij zoeken hunne eigene eer en heerlijkheid, en bedienen zich van het fraaie voorwendsel, de volkeren te willen vrijmaken en tot mondigheid te brengen; en de volkeren zelf gelooven ook zoodanig voorgeven; alles moet tot eenheid, tot vrijheid en gelijkheid, tot deugd en tot gelukzaligheid rijpen, — en zoo helpt de een zich mét den ander in het verderf! De groote God besluit intusschen alles onder het ongeloof, opdat Hij Zich over alles ontferme, en laat bij de menschenkinderen alles in ijdelheid opgaan, opdat aller mond gestopt worde, en de geheele wereld voor God verdoemelijk zij.

Evenwel ziet Hij van Zijnen vasten troon op allen, die op de aarde wonen, en waar het nu met de menschenkinderen eene verlorene zaak is, daar geeft Hij aan het aardrijk en aan alle toestanden zoodanige gedaante, dat het een einde heeft met alle looze leer van menschelijke deugd en eigengerechtigheid, dat alle beweringen en beloften, die vleesch geeft van aardsche gelukzaligheid en van vrede, docr vleeschelijk streven te verkrijgen, den menschen zeiven tot bespotting worden, en derzelver gansche zoogenaamde vastigheid als onhoudbaar aan den dag moet komen. Onderwijl heeft God Zich dan vele ellendigen onder de menschenkinderen toebereid, die hongeren en dorsten naar blijvende en eeuwige waarheid en gerechtigheid. Hij heeft dezulken Zich toebereid aan alle hoeken en einden der wereld, die verzameld moeten worden tot het volk van Jacob.

Sluiten