Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en koningskinderen, — dat zij het zijn, hebben zij aan het Kindeken Jesus te danken, en zij zullen Hem eeuwig daarvoor dank betuigen. Ook dezen hebben de meest moeilijke wegen door te maken, die te bedenken zijn, terwijl ook van hen kan gezegd worden, dat zij „bevrucht" zijn. Immers Hij, Die in hen is, is hetzelfde Kind, Dat onder het hart van Maria lag; Hij is de Koning des hemels en der aarde; nochtans zijn zij niet geacht, niet gekend, ja miskend, en meestal arm en onbemiddeld, en zoo maken zij den moeilijken gang over menigen berg, door menig diep dal, om daarheen te komen, waar zij met den Heere heen moeten. — Of zij in den tijd van nood eene ezelin vinden, dan of zij zich de voeten moeten doorloopen, dat weet God.

Het moet u niet bevreemden, gij konings-kinderen, dat het u niet anders gaat, dan het Jozef en Maria ging. Uitwendig moet ons de zon verbranden, zoo worden wij naar het inwendige den Heere welgevallig. Het was van ouds af Gods weg, dat Hij de Zijnen door allerlei kruis en lijden en tegenspoed geoefend heeft. Al is zoodanig in- en uitwendig lijden, zulk een tegenspoed van allerlei aard, wanneer dit tegenwoordig is, geene zaak van vreugde, — wat schaadt het een' mensch, zoo hij maar in dien weg het Beeld des Zoons Gods gelijkvormig wordt. Maria, de moeder des Heeren, had er zich wel aan mogen ergeren, dat God haar zelfs niet de minste geriefelijkheden dezes levens liet ten deel vallen, daar zij toch, naar het woord van den engel Gabriël, Dien onder haar hart droeg, Die een Koning zou zijn over het huis van Jacob, en aan Wiens Koninkrijk geen einde zou zijn; wij lezen echter niet, dat zij zich daaraan geërgerd heeft.

Hoe het haar en Jozef te moede mag geweest zijn op dien moeilijken tocht, dat is ons niet opgeteekend. Wij weten en ervaren, dat God in het verborgen ons ondersteunt, en door de invloeden van Zijnen Heiligen Geest staande houdt, en ofschoon wij het dan menigmaal zelf niet weten, wat

Sluiten