Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DERDE KERSTPREEK.

„Vrede op aarde!" zoo luidde het tweede lid van het gezang der engelen in Bethlehems velden. De menigte des hemelschen heirlegers moet van de zaligheid van verlorene zondaren, toch iets in den hemel hebben gezien, wat wij zoo niet gezien hebben.

Intusschen, wie tot God bekeerd wordt, die ziet toch iets van Zijne heerlijkheid, die ondervindt toch iets, wanneer hem de last der zonden afgenomen wordt, wanneer het juk hem van de schouders verbroken wordt, — iets, dat hij nooit weder kan vergeten; en dan breekt hij ook uit in een gejuich, dat evenzoo daarheenrolt, als het gezang der engelen. Maar dat de heilige God er waarachtig zulk een welbehagen in heeft, om het verlorene te redden en in Zijne zaligheid op te nemen, ik zeg „het verlorene", dat kan eene menschelijke ziel zóó niet gelooven, als de engelen dat kunnen zien, terwijl zij het Aangezicht des Vaders, Die verlorene kinderen vrijwillig liefheeft, gedurig aanschouwen, en ook gedurig de lofliederen, de dankzegging, de verheerlijking vernemen, welke de vele zielen, die, verlost door het bloed des Lams, voor den troon Gods zijn, Hem toebrengen. Dat de engelen echter zoo vol gejuich zijn kan ons moed geven, dat ook wij den juichtoon aanheffen, wij, die vrede bij God gevonden hebben door Jesus Christus.

Het „vrede op aarde" heeft voor het hart toch iets, dat gelukkig, dat zalig stemt; het doet het hart van eenen arme en ellendige zoo weldadig aan, dit te vernemen, hetzij dan, dat hij weet vrede bij God gevonden te hebben, hetzij dat hij het voor zichzelven nog niet zoo recht weet. Daarom willen wij iets tot u spreken van dezen vrede op aarde.

Geen staatkundige vrede is het geweest, welken de engelen hebben bezongen. Want ofschoon het evenzeer eene vrucht van de geboorte en van het lijden onzes Hee-

Sluiten