Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

worden verheerlijkt, wijl de hooge God algenoegzaam en volzalig is in Zichzelven, en onze wederopneming tot Hem niets kon bijdragen tot volmaking Zijner zaligheid.

En het wonder wordt des te wonderbaarder, als wij bedenken, dat onze geheele herstelling in Zijne vriendschap heeft plaats gevonden, toen wij er nog niets van wisten, toen wij nog vijanden van Hem waren, ja, zelfs nog niet geboren waren.

O welk een wonder! Wederzijdsche vijandschap, — vijandschap Boven, uit heiligheid en gerechtigheid; vijandschap beneden, uit haat tegen heiligheid en gerechtigheid, — zij is weggenomen; en op aarde, in de gewetens, in de harten der geloovigen is van Boven, van God Zelf af, eene liefde uitgestort, welke tot zulk eene wederliefde ontvlamde, dat eene ziel niet eerder tevreden is, dan wanneer zij het jawoord van den Heere heeft, — en met niets meer gelukkig kan gemaakt worden, dan met den Heere Zelf en met datgene, wat van den Heere is.

De menigte der hemelsche heirscharen wist het van God; zij hadden voor den troon het onbegrijpelijke der liefde Gods met verbazing aanschouwd, hoe alles uit Hem is uitgegaan, om eene verlorene menschheid wederom tot Zich op te nemen in eenen weg en door een middel, waarbij Zijne deugden, Zijne gerechtigheid en heiligheid, waarheid en goedertierenheid, genade en wijsheid, in vollen glans hun tegemoet straalden. Zij wisten het, dat God Zijnen eeuwigen, eenigen Zoon tot Borg had verordineerd, door Wien de vrede, welken God den menschen wilde geven, uitgewerkt en ook voor eeuwig gesloten zoude zijn.

Zij waren er getuigen van geweest, hoe het eeuwige Woord met den Heiligen Geest Zich op dezen wereldbol begaf, naar Nazareth nederkwam, en Zich wierp in den schoot der maagd.

Alsnu zagen zij dit Woord in de wereld gekomen, — daar lag de groote God, hun Heer, als een eerstgeboren, zwak, hulpeloos Kind, in een' stal, in de kribbe, — en zij

Sluiten