Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hare werken drijven, bij al het spreken van „arm-zondaarzijn" zichzelven in het midden der broederen toch als heiligen willen handhaven.

De Apostel schrijft: Onder de zondaren, voor welke Christus in de wereld gekomen is om ze te verlossen, ben ik een voornaamste. Hij schrijft niet: onder welke ik de voornaamste was, maar: onder welke ik de voornaamste, dat is een eerste ben. Wie een eerste is onder anderen, die heeft het 't allerergst gemaakt, die is een hoofd en aanvoerder der anderen; die heeft zelf niet alleen voor zich gezondigd, maar is ook voor anderen tot een oorzaak, voorbeeld en prikkel tot zondigen geweest. Onder de zondaren ben ik een eerste, dat kon de Apostel schrijven, ofschoon hij ter zelfder tijd een goed geweten had, een door het geloof gereinigd hart. Want wanneer ik allerlei dingen bedreven heb, waarbij het openbaar geworden is, wat ik eigenlijk ben, dan kan ik niet zeggen, dat ik zoo was, maar moet zeggen, dat ik het ben. De Apostel wil zeggen: Bij niemand heeft zich ooit sterker geopenbaard, wat een menschenkind is, doet en drijft, wan n e e r h ij met de wet en hare werken omgaat, dan bij mij; want toen ik een ijver Gods had, als niemand mijns gelijken, juist toen was ik een lasteraar, een smader Gods en een vervolger. — Daaruit weet ik, dat er geen grooter zondaar is, dan ik ben; — en Christus Jesus heeft mij eene eeuwige gerechtigheid doen toekomen zonder wet. — Dies moeten alle zondaren moed grijpen en zich verlaten op het getrouwe woord, op het feit, dat zij zonder wet van hunne zonden gered zijn, zalig gemaakt zijn, — moeten zich alleenlijk aan Christus Jesus houden, want hoe zeker en gewis dit is, dat heb ik ervaren; wanhopiger toch dan bij mij heeft het er nog bij geen' mensch uitgezien.

Sluiten