Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wijl dan de Apostel op deze wijze zijn hart uitgestort heeft en het betuigt, dat wij ons op het woord zullen verlaten en dat in ons en bij ons zullen opnemen, namelijk: dat Christus Jesus in de wereld gekomen is, om zondaren te verlossen, zoo laat ons dat ter harte nemen, Mijne Geliefden, dat wij in deze wereld, bij al wat ons doet vreezen, ons benauwt en aanvecht, en hoe ledig wij ons ook mogen bevinden, hoe duister het ook rondom ons zijn moge, ons verre te houden hebben van het „doe dat"; en waar het smartelijk gevoel van: „er is geen zoo groot zondaar als ik ben", ons nederbuigt: daar laat ons op het woord ons ganschelijk verlaten, op het woord der genade van Christus, dat Hij zondaren zalig gemaakt heeft. Dat woord zal voor ons allerlei vrede en rust bestellen, allerlei licht en troost ons schenken.

Laat ons dit woord ter harte nemen, want het is het waard, dat wij hetzelve tot ons nemen, daaraan alleen ons houden en ons niet aan wet en werken storen. Wie met alle zijne zonden, als een eerste zondaar, aan dit woord blijft hangen, die zal het wel ervaren, dat dit de eenige weg is, om zich met de Wet in overeenstemming te bevinden.

En ieder wete dit: dat de zwaarste zonde daarin bestaat, en dat daaruit ook allerlei zonden en gruwelen voortkomen, dat wij niet „zondaren willen zijn en blijven". Wie echter uit de ervaring zijner vorige wegen en zijns levens met de wet bij deze waarheid volhardt: „Ik ben onder de zondaren een eerste" en dientengevolge alleen den Naam prijst, in welken de volkomene verlossing en zaligheid is, en daarbij blijft, zonder naar iets anders om te zien, — die zal, al is ook God van hem opgevaren, al heeft Hij ook opgehouden met hem te spreken, alle vastigheid en

Sluiten