Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tuigt hier: „Onder zondaren ben ik de voornaamste." Ik ben het, betuigt hij; hij schrijft niet: Ik was het eertijds. Daarin ligt toch iets opmerkelijks, dat hij betuigt: I k b e n het, en niet: Ik was het. Waarop mag hij toch wel het oog gehad, aan welke zonde mag hij wel gedacht hebben, toen hij dit van zich betuigde? Hij was immers reeds in het negen-en-twintigste jaar van zijn' genadestaat. Als wij het Boek der Handelingen der Apostelen raadplegen, dan zal wel niemand op zijn gedrag, na zijne bekeering, het geringste kunnen aanmerken. Hij heeft het aan al de Gemeenten kunnen schrijven: „Weest mijne navolgers, gel ijkerwijs ook ik van Christus". (1 Corinthe 11:1; 4:16.) Dat hij sedert dien tijd een doodslag zou hebben begaan, gestolen of gelogen zou hebben, of dat hij zijnen naaste zou onteerd of verongelijkt hebben, daarvan lezen wij niets; ook daarvan niets, dat hij, in eenige betrekking of verhouding, ongehoorzaam of onrechtvaardig zou geweest zijn. Hij zelf heeft geschreven: „I k ben m ijzelven van geen ding bewust" (1 Cor. 4:4); en hij betuigt: „En hierin oefen ik mijzelven, om altijd een onergerlijk geweten te hebben bij God en de menschen". (Handel. 24 : 16.) En waarlijk, het is uit zijn gansche gedrag en uit al zijne Brieven als met handen te tasten, dat hij eerst zelf gedaan heeft, wat hij anderen geleerd heeft. Al wat waarachtig is, al wat eerlijk is, al wat rechtvaardig is, al wat rein is, al wat liefelijk is, al wat wél luidt, zoo daar eenige deugd is of eenige lof, — hij heeft dat bedacht. (Fil. 4 : 8.) Ja gewis, blijmoedig durf ik het uitspreken, dat — men neme de Wet naar haren letterlijken of naar haren geestelijken zin, dat is naar dien zin, welken God in de letter gelegd heeft, — de Apostel Paulus eiken toets zal kunnen doorstaan; dat hij op den dag van Christus onberispelijk, zonder eenigen aanstoot zal bevonden

Sluiten