Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gen. Een derde voedt in zijn binnenste den wortel des doodslags; een vierde verscheurt eiken door God gelegden band van teedere huwelijksliefde en kinderlijke gehoorzaamheid, een vijfde laat het zich vóórprediken: „De geldgierigheid is een wortel van alle kwaad" (1 Tim. 6 : 10) en doet desniettemin naar wat de gierigheid hem ingeeft, alsof de inensch met het ellendige goud en zilver zich ook den hemel en den zegen bemachtigd had. Een zesde rooft de eer en den goeden naam zijns naasten, hem op allerlei wijze, waar hij kan, door achterklap schendende. Een zevende meent, dat hij, om zichzelven in zijne waardigheid en om de orde in zijn huis te handhaven, met schelden, vloeken en dreigen moet regeeren, dat hij zijnen naaste met harde en strenge woorden tot zijnen plicht moet brengen, of hem van zich moet verre houden. Een achtste meent, dat het niet zoo letterlijk moet opgevat worden „dat ook niet de geringste lust of gedachte tegen eenig gebod Gods in onze harten immermeer opkome" (Heidelb. Catechismus Antw. 113), en hij denkt zelfs met de Wet te kunnen handelen naar zijn welgevallen, heden zoo, morgen weder anders, heden voor de wereld, morgen voor God. —

Ik zou nog wel meer kunnen opnoemen, doch dit zij genoeg ter ontdekking! Intusschen zal ook dit u niet mogen verzwegen worden: dat het eene niets beteekenende kennis van zonde is, als men bij de zonde zich niet Gods gebod voorhoudt, — als men, omdat men aan zijne hartstochten den vrijen teugel laat, wel is waar bekent: Ik ben een zondaar, een groot zondaar, — maar dit alleen daarom, wijl het doordrijven van onzen eigen' wil en lust er ons van overtuigd heeft, dat wij het zijn. Ik zeg u: eene dergelijke belijdenis van zonde blijft onvruchtbaar, omdat men, zoodra maar de gedachten op eene andere zaak afgeleid worden, snel zal weghuichelen wat men gedaan heeft. Daar

Sluiten