Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

is geene ware verbrijzeling, noch voor God noch voor menschen, maar er blijft een harde nek, er blijft hoogmoed, al is men ook voor eene wijl gebroken. Want de mensch wil niet weten, wat hij is en wat hij gedaan heeft, zoo lang zijn „ik" bij hem meer geldt, dan de volzalige God en Diens gebod. Velen uwer zeggen, dat zij zondaren zijn, drijven evenwel hunnen wil door, geven aan hunne hartstochten toe, jagen na elke vrucht der eigenliefde en kwade luim, en daarbij zal dan toch nog het Evangelie een kostelijk ding heeten. Zij willen de geweldige prediking van de genade, en desniettemin doen wat zij willen, niet wat de H e e r e wil.

Wat is de grond van al deze verschijnselen? Men is geen zondaar, men wil het ook niet zijn; en het allerminst wil men de voornaamste onder de zondaren zijn, t.w. in den zin, waarin Paulus dit van zich betuigd heeft.

III.

Wanneer de Apostel schrijft: „Onder de zondaren ben ik de voornaamste", dan stond hem gewis voor den geest, wat hij weleer bedreven had, — dat hij een lasteraar was geweest, een vervolger en een verdrukker (een smader) zooals hij ook aan de Corinthiërs schrijft: „Want ik ben de minste van de Apostelen, die niet waardig ben een Apostel genaamd te worden, daarom dat ik de Gemeente Gods vervolgd heb". (1 Cor. 15:9.)

Zoo had dan de Apostel niet iets op zijn geweten, waaraan hij zich toenmaals zou hebben schuldig gemaakt, toen hij aan Timotheüs schreef; maar ten tijde, toen hij aan Timotheüs schreef, beleed hij: „Ik ben onder de zondaren de voornaamste ', uit de zelfkennis, die hij daaruit opgedaan had, omdat hij de Gemeente Gods vervolgd had en

Sluiten