Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

42 : 5, 6); in denzelfden zin, waarin Johannes van zich schrijft: „Toen ik Hem zag, viel ik als dood aan Zijne voeten" (Openb. 1:17); en waarin God tot Zijn gansche volk spreekt: „Opdat gij het gedachtig zijt en u schaamt en niet meer uwen mond opent, vanwege uwe schande, wanneer Ik voor u verzoening doen zal over al hetgeen gij gedaan hebt" (Ezech. 16:63).

Bij den Apostel was alle roem weg; hij kende in elk opzicht geen' anderen roem meer, dan het kruis van Christus. Om Gods Wet, gebod en recht was het hem te doen geweest, en bij Gods gebod had hij zich als zondaar, als overtreder van het gebod leeren kennen. Bij het licht der heiligheid Gods was het hem openbaar geworden, hoe verderfelijk d i e gerechtigheid was, welke hij bij de Wet gezocht had. Bij het licht der genade van Jesus Christus was het hem geopenbaard, hoe schrikkelijk vijandig tegen de genade hij geweest was. Bij de leer des geloofs in Jesus Christus had hij het ingezien, van welke waarde het streven naar werken eigenlijk was. Wat hij als heiligheid nagestreefd had, als iets dat overeenkomstig de Wet was, dat veroordeelde hij later als zonde, als verdoemelijke afgoderij, als eene zonde der hoererij en tooverij. — Uit zijn razen tegen Christus en zijn woeden tegen de Gemeente des Heeren was het hem openbaar geworden, uit- zijn smaden en lasteren van den gezegenden Naam Jesus, uit het verdrukken, waarmede hij des Heeren heiligen, Zijn erfdeel en volk verdrukt had, had hij het leeren inzien, hoe het met de gerechtigheid, die uit de wet is, gesteld is. Zijne heiligheid, die hij nagejaagd had, was hem uit zijn doen tegen de ware heiligheid tot zonde geworden; en bij de genade van Jesus had hij het geleerd, wat voor een mensch hij was, die zich zoo schrikkelijk tegen deze genade verzet had. Daarom schreef hij: „Onder zondaren ben ik de voornaamste". —

Sluiten