Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zijne barmhartigheid is en hoe groot Zijne lankmoedigheid is; want daar is niemand ooit ter strafplaats weggevoerd en gevonnisd, die grooter zondaar geweest is, dan ik ben". —

O, voor de macht der genade, der lankmoedigheid, der barmhartigheid, der liefde van Jesus moet het harde, trotsche hart vermurven en als in tranen wegsmelten; daar moet de harde nek gebroken zijn, zoodat men alleen op Hem ziet, op Zijne genade wacht en niet meer naar zichzelven vraagt, ook niet naar wet en werken.

juist uit de bevinding, welk eene zonde het is, altijd naar zichzelven te vragen, — uit de bevinding, hoe onmogelijk het voor ons is, alleen bij de genade te volharden, aan het „nochtans" des geloofs vast te houden, waar het tegenstrijdige wordt gezien, — uit de bevinding, hoe diep in ons hart ingeworteld is de eigengerechtigheid, het ongeloof, het zich voortdurend verzetten tegen de vrije ontferming, tegen den Raad Gods, zooals Hij ons tot het eeuwige leven voeren wil, leert men we! van zichzelven te belijden: „Met mij is het in alle opzichten totaal uit en voorbij; onder zondaren ben ik de voornaamste; maar Gij Heere Jesus Christus zijt mijn getrouwe Heiland, Gij zijt het alléén; daarop verlaat ik mij nochtans!"

Waarom vraagt toch nog menigeen uwer naar de Wet, — hoe duidelijk het hem ook wordt voorgelegd, dat wij tot aües onbekwaam zijn, en dat wij, hoe onbekwaam dan ook, het Woord, d. i. Christus, te gelooven hebben, dat dit Woord, Christus, alles voor ons schept en daarstelt, zoodat alles naar den Geest der heiligmaking is? — waarom dan toch altijd weder deze vraag: „Maar wat zal dan de Wet, waar blijf ik dan met de werken, er moeten toch goede werken aanwezig zijn? Ik vraag dan: „Maar waarom is hem het geloof in Jesus Christus niet genoeg?

Sluiten