Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Kerk is dus van het hoogste belang ook voor de rechte beoordeeling onzer Ned. Herv. Kerk. Immers, wij kunnen zeggen, dat onze Kerk het rechte Woord nog bezit, allereerst omdat zij officieel in hare belijdenisschriften het Woord belijdt en voorts omdat velen harer leeraars nog het rec.ite Woord verkondigen. En ook worden de sacramenten, doop en avondmaal, nog in onze Kerk naar de instelling van Christus bediend. Alleen mist onze Kerk grootendeels de rechte uitoefening der kerkelijke tucht, omdat binnen haar, wel niet wettelijk, maar dan toch praktisch de leervrijheid heerscht. Onze Kerk is dus een kranke Kerk, maar zij blijft een ware Kerk, waarvan men zich geenszins mag afscheiden.

Zoowel in 1834 als in 1886 heeft men dus een eigenwilligen, onschrifttuurlijken weg bewandeld. En het ergste is, dat men dezen weg hoe langer hoe meer theoretisch trachtte te rechtvaardigen en daardoor tot ontwikkeling van zijn Vr ije-kerk - begrip kwam en van zijn staatsbegrip los van art. jó. Het zou interessant zijn dezen ontwikkelingsgang in afgaande lijn na te gaan, doch wij kunnen daar nu niet aan denken. Wij herinneren er alleen aan, hoe Ledgjpoer terecht protesteerde tegen het zich laten erkennen van de afgescheidenen door den Staat als een eigen kerkgetiootschap. Hij gevoelde terstond, dat men daardoor feitelijk een nieuwe, zelf gemaakte Kerk oprichtte. Later, met de doleantie gebeurde precies hetzelfde. Eerst handhaafde men nog (wij laten nu in 't midden, of het te verdedigen was) de gedachte: wij zijn een „doleerende kerk" en dus geen nieuwe kerk. Later in 1892 verlenigde men zich echter met de afgescheidenen, gaf daarmede dus feitelijk zijn standpunt prijs en erkende, dat men een nieuwe, zelf gemaakte kerk was, al nam men dan ook, terwijl men erkenning door den Staat vroeg, ^ den misleidenden naam van „Gereformeerde kerken" aan. Feitelijk hebben wij dus bij de gescheidenen met een echte „Vrije Kerk" te doen, d.w z een nieuwe kerk, die zich van den Staat heeft losge-

Sluiten