Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

om over hen te bevestigen, dat zij zouden onderhouden den veertienden dag der maand Adar en den vijftienden dag derzelve, in alle en ieder jaar :

naar de dagen in dewelke de Joden tot rust gekomen waren van hun vijanden, en de maand die hun veranderd tvas van droefenis in blijdschap, en van rouw in een vroolijken dag; dat zij die dagen maken zouden tot dagen der maaltijden en der vreugde, en der zending van deelen aan elkander, en der gaven aan der armen.

En de Joden namen aan te doen wat zij begonnen hadden, en wat Mordechai aan hen geschreven had,

omdat Haman de zoon van Hammedatha, de Agagiet, aller Joden vijand, tegen de Joden gedacht had hen om te brengen; en dat hij het Pur, dat is het lot, had geworpen, om hen te verslaan en om hen om te brengen.

Maar als zij voor den Koning gekomen was, heeft hij door brieven bevolen, dat zijn booze gedachte, die hij gedacht had over de Joden, op zijn hoofd zou wederkeeren; en men heeft hem en zijn zonen aan de galg gehangen.

Daarom noemt men die dagen Purim, naar den naam van dat Pur. Hierom, vanwege alle de woorden van dien brief, en hetgeen zij zelve daarvan gezien hadden, en wat tot hen overgekomen was,

bevestigden de Joden, en namen op zich en op hun zaad en op allen die zich tot hen vervoegen zouden, dat men het niet overtrade: dat zij deze twee dagen zouden houden, naar het voorschrift derzelve, en naar den bestemden tijd derzelve, in alle en ieder jaar;

dat deze dagen gedacht zouden worden en onderhouden, in elk geslacht, elk huisgezin, elk landschap en elke stad, en dat deze dagen Purim niet zouden overtreden worden onder de Joden, en dat de gedachtenis derzelve geen einde nemen zou bij hun zaad.

Sluiten