Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

galg laten bouwen, om met toestemming van den Koning, Mordechaï er aan te hangen; geen oogenblik twijfelende, of ook dat verzoek zou hem gaarne worden ingewilligd.

Het helsch besluit nu om alle Joden om te brengen, baarde Ahasveros en Haman zoo'n satanisch genot, dat zij zwelgden en brasten; terwijl daarentegen de Joden te Susan in den grootsten angst verkeerden en o.a Mordechaï in rouwgewaad, zijn diepe smart door groot en bitter geroep te kennen gaf.

De mensch echter wikt, maar God beschikt.

Nadat Esther een driedaagsch vasten had uitgeschreven, waaraan natuurlijk ook zij met haar hofdames deel nam, gebeurde er iets, waardoor eensklaps een geheele ommekeer teweeggebracht werd.

De Koning, niet kunnende slapen, liet zich de Rijkskronieken voorlezen. Daaruit bleek, dat twee kamerlingen des Konings een aanslag hadden gesmeed tegen het leven des Konings, welke aanslag echter door Mordechaï was verijdeld geworden. Op de vraag van Zijne Majesteit, wat eer en verhooging Mordechaï daarvoor gedaan was, ontving hij het teleurstellende antwoord, dat men Mordechaï geen vergelding had gedaan.

Nu werd Haman, die juist gekomen was om den koning mede te deelen, dat men Mordechaï aan den voor hem bereiden galg zou hangen, geraadpleegd. De Koning vroeg echter niet dadelijk, welke eer aan Mordechaï moest worden betoond, voor een weldaad, die hij aan den Koning had bewezen; maar zeer in het algemeen zeide de Koning: „Wat zal men dien man doen, tot wiens eer de Koning een welbehagen heeft ? Hoofdst 6:6. . ..

Haman denkende, dat niemand zoo hoog bij zijn vorst aangeschreven stond dan hij, antwoordde. „Den man, tot wiens eer de Koning een welbehagen heeft, zal men het koninklijke kleed brengen, dat de Koning pleegt aan te trekken, en het paard waar de Koning op pleegt te rijden ; en dat de koninklijke kroon op zijn hoofd gezet worde; en men zal dat kleed en dat paard geven in de hand van een uit de Vorsten des

Sluiten