Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geloovigen, die in gehoorzaamheid, aan Zijn wil vol harden zouden, door Christus zalig te maken en daarentegen de onbekeerlijken te verdoemen. Aan den mensch is de vrijheid gelaten; van hem wordt gevraagd dat hij het rechte gebruik dier vrijheid zal maken. In verband hiermee hebben de Remonstranten de strenge satisfactieleer zóó verzacht, dat Christus door zijn dood de verlossing niet tot stand heeft gebracht, doch haar alleen mogelijk heeft gemaakt. Of de voldoening voor den biizonderen mensch de zaligheid zal werken, hangt af van zijn geloof: een geloof, dat wel is waar door God is voorzien, maar niettemin de vrucht is van ieders vrijen wil. Buiten deze geloofsgehoorzaamheid is het behoud ondenkbaar; zij is de voorwaarde die God aan den mensch heeft gesteld. Wij hebben dus onzerzijds mede te werken met de goddelijke genade, opdat de voldoening door Christus ook ons ten goede komt. Zoo hebben de Remonstranten de willekeur van God, die zij in de Calvinistische praedestinatieleer veroordeelden, daaruit trachten te verwijderen: God handelt in zijn wereldbestuur volgens zijne „aequitas", waardoor Hij zich in zijn „dominium absolutum in creaturas" beperkt. Het begrip van verdienste van de zijde des menschen wordt verworpen; maar voor 't overige zien wij in de leer der justificatie een onmiskenbare toenadering tot het dogma der Roomsch-Katholieke Kerk. Niemand heeft dat dieper gevoeld dan Van Limborch zelf, die openlijk erkende: „In Pontificiorum sententia multa esse non improbanda". Wanneer toch

Sluiten