Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hun „groote steunsel" in hunne praktische godsvrucht ziet.

Ik mag mij ontslagen rekenen van de gemakkelijke taak, meer zulke getuigenissen bij te brengen. Wenscht men te weten, hoe schrijvers uit het einde der zeventiende eeuw oordeelden, dan verwijs ik bijv. naar Zwicker en Benthem, beiden vreemdelingen en beiden, hoewel zij op zeer verschillend standpunt stonden, eenstemmig in hun lof.

Wat mogen wij uit dit alles afleiden? Zeker zou het kortzichtig zijn, de reinheid van zeden onder de Doopsgezinden naar aanleiding van zulke uitlatingen te verheerlijken; en nog minder willen wij de wettelijke opvatting van het Evangelie, die zij veelal huldigden, prijzen. Maar dit is hunne groote beteekenis, waardoor zij hun afzonderlijk bestaan naast de overige Protestanten in ons vaderland ten volle hebben gerechtvaardigd: tegenover de schadelijke gevolgen, die de prediking van niets dan genade en geloof voor de praktijk had, hebben zij het bewustzijn helpen levend houden, dat er een onverbrekelijke samenhang is tusschen godsdienst en zedelijkheid. Vergeten wij daarbij niet, dat zij de stillen in den lande waren. De meesten hunner gingen onopgemerkt hunnen weg en wüden ook niet anders; eerst als er twisten en scheuringen onder hen ontstonden, lieten zij van zich spreken. Dan zag de wereld van hen wat zeker niet hunne beste zijde was. Maar het dieper liggende, de verborgen omgang met G-od, de dagelijksche plichtsbetrachting, ook in het kleine, gewijd en gedragen

Sluiten