Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zóó diep was gezonken, mocht niemand op eigen gezag of met een beroep op de Schrift een poging doen om die kerk weer op te richten. Men moest geduldig wachten totdat God in Zijne genade haar zou herbouwen en inmiddels „met allen ernst en vlijt na beter staen".

Het kon niet anders, of bij dissenters die zulke opvattingen huldigden, moest een groote verscheidenheid van gevoelens voorkomen en daaronder ook vele, die door de orthodoxie als kettersch waren gebrandmerkt. Geen onrechtzinnigheid was in dien tijd meer gevreesd en verfoeid dan het zoo onrustbarend veldwinnende Socinianisme. Niet in Nederland ontstaan, maar uit Polen spoedig hier overgeplant, had de leer van Paustus Socinus bij tal van geestverwanten instemming gevonden. Maar ook de heerschende kerk had van den aanvang af scherp acht gegeven op het binnendringen van het „vreemde vier". Vooral tegen de ketterij van den man, dien zij zoo gaarne met een voor de hand liggende woordspeling Infaustus Socinus noemde, trad zij in het strijdperk; en zij wist de overheid te bewegen tot het uitvaardigen van verschillende plakkaten, waaronder dat van 1653 zich het meest door onverbiddelijke strengheid onderscheidde. Maar in het klassieke land der vrijheid vermocht geen scherpe bedreiging de ontwikkeling van godsdienstige ideeën te stuiten; met name onder de Collegianten verspreidden zich de Sociniaansche opvattingen. Niet dat de Rijnsburgers de leer van den Rakowschen catechismus in haar geheel en als een bindende

Sluiten