Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van de Corinthiërs tegenover de glossolalie, Paulus' zienswijze daaromtrent en de kenteekenen van dit charisma.

De Corinthiërs streefden ijverig naar de charismata (r413). Sommige charismata werden hooger geschat dan andere en daarom meer begeerd.

Zij, die het charisma hadden dat hooger geschat werd, meenden hooger te staan dan de anderen, die mindere

o 7

charismata bezaten (i215).

De glossolalie werd door de Corinthiërs het hoogst geschat, dezen indruk maakt de behandeling van Paulus op ons; maar toch schijnen sommigen er minder waarde aan gehecht te hebben (i439).

Paulus rekent de glossolalie ook onder de genadegaven (i210). Hij dankt God voor den rijkdom aan gaven, die de Gemeente bezit (i7) en spoort het streven der Corinthiërs naar die gaven aan (14J; ja, hij zou wel willen, dat zij allen glossolalisten waren (i43). Hij dankt God er voor, dat hij meer in tongen spreekt dan zij allen (i418) en ook hij zal die gave gebruiken (i415) Hieruit blijkt wel, dat Paulus de glossolalie niet gering schat. Toch stelt hij bij desamenkomsten der Gemeente het profeteeren hooger (i42.3.5) en wel met het oog op de Gemeente. Want terwijl de Corinthiërs de genadegaven beschouwden als teeken van bijzondere begenadiging voor elk lid op zichzelf, waarbij de gave van de glossolalie het hoogst werd geschat, zonder er op te letten of dit voor de Gemeente nuttig of stichtend was, legde Paulus meer den nadruk op het nut van de genadegaven voor de Gemeente. »Want«, zegt Paulus, »wie in tongen spreekt«, spreekt niet voor de metischen, maar voor God, niemand verstaat het en door den Geest spreekt hij onbegrijpelijke taal (i42)- ]) Wie profeteert spreekt voor de menschen tot stichting, vermaning of vertroosting (i43). Wie

J) Voor ocxouei cf. Weiss Meyer's Kom. z. N. T. 5, 1910, pag. 322j.

Sluiten