Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

herwaarts, een woord tot u te spreken wegens de weldaad, welke ik in dit uur gedenk van een 2 5-jarigen arbeid als uw prediker van het Woord Gods, u dienende met het getuigenis van het eeuwig Evangelie.

Ofschoon met mijne kinderen diep bedroefd, in rouw over mijne onlangs ontslapene inniggeliefde vrouw, mag ik evenwel niet vergeten de weldaden van den Heere onzen Qod, Die alles wèl gemaakt heeft, — ook niet de weldadigheid en trouw, welke Hij mij heden met en onder u doet gedenken. Qode zij dank ! Die mij naar lichaam en geest heeft bekrachtigd om u zoovele jaren met Zijn Woord te dienen. In vereeniging met u is mijne betuiging: „Niet ons, o Heere, niet ons, maar Uwen Naam geef eere, om Uwer goedertierenheid, om Uwer waarheid wil!" (Psalm 115 : 1).

Het was op Woensdag den 22sten Februari van het jaar onzes Heeren 1888, dat ik, na des Zondags te voren door uw hooggeachten leeraar, mijn geliefden vriend en broeder Ds. Lütge in den dienst des Woords onder u kerkelijk bevestigd te zijn, voor het eerst als uw herder en leeraar ben opgetreden. Het was toen een tijd van ernstigen strijd op kerkelijk gebied wegens de droeve scheuring, welke in onze Kerk heeft plaats gehad, toen zoovelen, die door Doop en Belijdenis aan haar verbonden waren, haar verlieten. Ach, die schare en hare leiders, die haar voorgingen op het pad der afscheiding! In plaats van te buigen onder het oordeel, dat wegens ons diep afgeweken zijn van den Heere over ons gekomen is in de openbaring van den geest der dwaling in leugenleer en goddeloos leven, — in plaats van den Heere te belijden: „Wij hebben gezondigd mitsgaders onze vaderen, wij hebben verkeerdelijk gedaan, wij hebben trouwlooslijk gehandeld" (Psalm 106 : 6), en alzoo in hartgrondige verootmoediging

Sluiten