Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

over de eindige wereld — het domein der natuurwetenschap — uitstrekt. Onwillekeurig komt men er toe, ook bij deze zekerheid van een „weten" te spreken. Maar van welken aard is dat? In welke verhouding staat het tot dat andere, objectief- bewijsbare weten der wetenschap? Het geloof heeft inhouden , die van bepaalden aard zijn. En om zich hiervan rekenschap te geven (waartoe reeds de behoeften van het gemeenschapsleven drijven) moet het geloof wel het discursieve denken te baat nemen. Terwijl het toch iets uitspreken wil over het bovenwereldlijke , moet het zich bedienen van voorstellingen , beelden, analogieën, die aan het wereldlijke, eindige ontleend zijn. Ook het geloofsleven wordt in den regel begeleid door een verwarde massa voorstellingen , waarin het ware en diepe met het onware en ondiepe op vreemde wijze is verbonden en waarop men zelf niet het rechte gezicht heeft.

En hier komt dan de kritiek van het wetenschappelijk denken. Het onware, onhoudbare in die voorstellingen en begrippen moet verdwijnen. Want tweeërlei waarheid is er niet. Ongelukkig doet hier niet alleen de echte wetenschap haar stem hooren, maar ook de onechte, ingebeelde, die evenwel spreekt in naam en met het gezag van de echte. En deze onechte wetenschap kent juist weinig bescheidenheid of pieteit.

In een mooi opstel ,,la Morale et la Science",

Sluiten