Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de subjectiviteit, de beperktheid van het doorleven der groote geestelijke realiteiten bestaan blijft, ontkomen zij zeer dikwijls niet aan het gevaar om als denk-noodwendigheid te poneeren, wat op dien naam geen aanspraak maken mag. — Maar zuiver geloof is eveneens een ideaal. En zijn de dwalingen van het onzuivere menschelijk denken gevaarlijk, de dwalingen van het onzuivere geloofsleven zijn het niet minder. Dit is altijd het kritieke: het bepalen van de verhouding van het menschelijke tot het goddelijke. Ook hier geldt de opmerking, dat het ontdekken eener partieele waarheid dikwijls een belemmering wordt bij het zoeken der universeele waarheid. Zöö sterk de menschelijke verdorvenheid te zien, dat men niets anders meer in het menschelijke ziet, is ook een te kort doen aan de eere Gods. Zijn er niet velen, die meer of minder bewust de opvatting zijn toegedaan, dat deze heele wonderbare, strijdende menschenwereld eigenlijk door God verlaten is, behalve in zooverre Hij werkt in het zieleleven der geloovige christenen? Zij beseffen niet, welk een teere zaak de logika der hoogste geestelijke dingen is! Hoe paradoxaal het ook moge klinken: vele christenen kunnen van de filosofie leeren: zich weer eens meer van het mysterie in het goddelijke en menschelijke bewust te worden.

Om tot een discursieve kennis van zijn eigen wezen en zijn verhouding tot de menschelijke kuituur te komen, kan het geloof de wijsbegeerte niet missen.

Sluiten