Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ik zou aan dezen en genen uwer nog wel een ander lid willen noemen, dat op de aarde is en afgelegd moet zijn, namelijk de luiheid. De huiselijke orde en tucht bevalt hem niet, of ook de arbeid valt hem wat moeilijk, — zijn woonvertrek is hem te eng, hij moet er eens uit, eenen broeder bezoeken of eene zuster, — zoo loopt men dan rond, en terwijl men zichzelven meent te stichten, zijn achter den rug de kinderen en de schulden bezig het huis af te breken, — en men eet ten leste niet meer het eigene brood !

Dat zijn zoo dingen, die in eene Gemeente Gods, die ook onder ulieden voorkomen, — dat zijn de leden, die op de aarde zijn, en die wij hebben te dooden. Nu worden wij evenwel niet deswege door de genade verworpen, omdat zulke leden nog aan ons zijn, maar wij worden door de genade onder de tucht genomen, opdat wij leeren, hoe wij van zulke ondeugden en verkeerdheden zullen afgekomen zijn.

Dat zulke leden er zijn, dat zulke ondeugden bij de geloovigen en heiligen in Christus gevonden worden, ja, dat die zonden in hen als levend zijn, is openbaar uit de Apostolische woorden. Immers de Apostel schrijft: „Doodt dan — of: hebt gedood — uwe leden, die op de aarde zijn". Hij had niet alzoo behoeven te schrijven: „hebt ze gedood", wanneer zij zich niet in de heiligen en geloovigen in Christus als levend toonden.

Uwe aandacht heeft uit de vorige leerrede verstaan, wat hier „dooden" beteekent. Het is een beeldrijk woord en wordt gewoonlijk gebruikt van oorzaken, die noodwendig iets doen sterven, als bijv. van de vorst, waardoor lichaamsleden onbruikbaar worden gemaakt, afvallen en afsterven, zoodat door de inwerking er van alle leven er uit weggenomen wordt, en zij hunne kracht, werking en gebruik verliezen. Indien iemand bij voorbeeld in vriezend winterweder handen of voeten geheel aan de vorst blootstelde, dan zou hij daardoor veroorzaken, dat zijne leden afstierven, zoodat hij die later niet meer zou kunnen gebruiken, hoe gaarne hij dat ook zou willen.

Sluiten