Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ik heb u naar luid van het Evangelie voorgehouden, dat wij met Christus opgestaan zijn, derhalve niet meer hier op de aarde kunnen blijven, dat wij onze leden, die op de aarde zijn, t. w. de ondeugden en zonden, als afgelegd hebben te beschouwen, als lijken, die men aan de verrotting overgeeft, gelijk de bladeren der boomen en planten of dergelijke, waarvan het leven voorbij is.

Gij hebt rijken troost uit het Evangelie geput, dat wij de dingen te bedenken hebben, die Boven zijn, waar Christus is, dat wij te zoeken hebben Christus en Zijne genade, alle heilsgoederen, die voor ons Boven aanwezig zijn, en die Christus voor ons verworven heeft; dat wij op die heilsgoederen, op Christus, het oog mogen vestigen en dus onze toevlucht steeds nemen mogen tot de genade, en wij zoodoende aan de leden, die op de aarde zijn, alle kracht en werking onttrekken, zoodat het als vanzelf gaat. In dien troost willen wij u in deze ure nog meer versterken.

„Want gij zijt gestorven", schrijft de Apostel. Hij schrijft dit aan hen, bij wie hij de genoemde ondeugden en zonden had ontdekt. — Gij weet, dat men van iemand, die reeds lang dood is, spreekwoordelijk zegt: „zijne tanden doen hem niet meer zeer". Is iemand gestorven, dan zijn zijne leden ook dood. Hoezeer men ook gedurende zijn leven van het eene of andere lid pijn heeft moeten lijden, is men gestorven, dan gevoelt men er niets meer van. Een mensch moge zijn lust en genot hebben aan allerlei zichtbare, tijdelijke en vergankelijke dingen, en van begeerte branden naar het bezit er van; hij moge op zulke dingen zijn hart zetten en er zich geheellijk door laten innemen, — zoodra hij dood is, vraagt hij niet meer naar die dingen, zij vervullen hem niet meer, hij is immers dood, geheel dood; gevoelloos, bewegingloos zijn alle zijne leden; hij en zijne leden kunnen niets meer verrichten; de leden van den doode moeten verderven en verrotten. —

Hier is nu van een ander „gestorven-zijn" sprake, dan van het lichamelijk gestorven-zijn. Hier is van een „voor God gestorven-zijn" sprake, en wel in dezen zin, dat men

Sluiten