Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In het heilige der heilige stond de arke des verbonds, bedekt met de heerlijkheid des Heeren. In de ark lag de Wet en op de ark rustte het verzoendeksel, de heerlijkheid der genade. Dit voornaamste deel' des tabernakels nu was afgescheiden door een voorhangsel. Niemand mocht daar binnen gaan. Alleen de hoogepriester mocht dat Heilige der Heilige slechts éénmaal per jaar betreden, maar dan ook alleen met het bloed der offerdieren, die in den voorhof waren geslacht. Dit nu zijn alle dingen, die een andere beduiding en beteekenis hebben. Tijdelijke schaduwen van eeuwige dingen. Zoo is dat heilige der heiligen waar de Heere onder Israël woonde en troonde een afschaduwing en beeld van de eeuwige woonstede des Heeren, °den hemel der heerlijkheid, waar God troont in de woonstede Zijner heiligheid. — Want God woont in den hemel. Maar die God bewoont een ontoegankelijk licht. Die God is een verterend vuur voor den mensch, die Zijne geboden overtreedt. Die God is niet te naderen voor dien mensch, die wegens zijne zonde tegen de Allerhoogste Majesteit, de hoogste en eeuwige straffen heeft verdiend. Even als voor Israël van ouds geen toegang was tot het Heilige der Heilige in de woning des Heeren, zoo is er voor den overtreder van Gods geboden, geen toegang tot den hemel der heerlijkheid, waar God woont. Die toegang is door

Gods rechtvaardig vonnis voor ons gesloten. De

zonde, onze zonden hebben dien toegang afgesneden. In de eeuwige afscheiding van God en Zijne zaligheid, in de eeuwige tegenwoordigheid van de rampzalige geesten in de buitenste duisternis, — dat is ons aller rechtvaardig verdiend loon.

En nochtans, hoewel wij zulke menschen zijn die den hemel verzondigd hebben en eeuwig moesten wonen in de buitenste duisternis, nochtans hebben wij

Sluiten