Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ingang in dat heiligdom, in den hemel, waarde Heere in Zijne heiligheid' zetelt. Wij, die zoo menigmaal moeten belijden: „Een stroom van ongerechtigheid heeft de overhand over mij, en mijne zonden zijn meerder dan de haren mijns hoofds, en ik ben bedorven van top tot teen", — wij die zoo vaak denken: „Ach zou het wel voor mij zijn? Ben ik niet een te groot gruwelijk zondaar?" wij hebben den ingang in het heiligdom. — Die heerlijke, troostvolle, bemoedigende waarheid wordt ons gepredikt in het Evangelie, dat

wij voor ons hebben.

Ja wij gruwelijke menschen hebben den ingang in dat heiligdom. Maar is die ingang dan van geen voorwaarde afhankelijk'? Moeten wij ons zeiven dan niet eerst wat opknappen'? Moeten wij dan niet eerst wat beter en braver worden'? Moeten wij niet eerst wat reiner en heiliger worden'? Kunnen wij dan maar- als zulke goddelooze menschen met dat schrikkelijke verderf maar in den hemel komen'? Moeten wij niet eerst dit of dat verricht hebben? Ach, zoo redeneert ons dwaas en uitzinnig verstand. Zoo betoovert ons de Satan, die niet wil, dat wij ingaan in dat heiligdom, maar eeuwig zullen blijven in zijne duisternis. Maar wij gruwelijke en onreine zondaien behoeven ons niet meer in te spannen en af te matten voor dien ingang in dat hemelsche heiligdom; dat is toch tevergeefs. Met alles wat wij doen, maken wij den ingang voor ons nog zwaarder en moeilijkei en onmogelijker. Immers al ons doen is voor God enkel onreinheid. Onze beste werken, waarmede wij komen aandragen, zijn nog met zonden bevlekt en zijn voor God als een wegwerpelijk kleed. Hoe zouden wij dan iets kunnen en mogen doen, om ons zeiven die ingang te verschaffen? Hoe zou God ons een voorwaarde kunnen stellen, waaraan wij zouden moeten

Sluiten