Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ons recht laten gelden, om het heiligdom in te gaan. Met dat bloed kan God ons evenmin van de deur wijzen als dat Hij Zijn eigen Zoon uit den hemel heeft kunnen houden. Met dat bloed staan wij voor God als menschen, die zelf in eigen persoon alles hebben geleden en Gode voor onze zonden genoeg hebben gedaan, en daardoor een recht hebben op het eeuwige leven.

Al moge dus duivel, dood, en zonde ons in het aangezicht werpen: „Gij goddelooze, gij hebt het te zeer verdorven, gij zijt te gruwelijk en te zondig, Gods vloek en toorn rust op u, gij komt niet binnen";—ja, wanneer God Zelf zeide: „Gij zijt een hond en behoort niet tot het uitverkoren volk", — nochtans hebben wij de vrijmoedigheid om te zeggen: „Dat is alles waarheid: lk ben verdorven. Ik ben zwart. Ik ben doodschuldig en der helle waard, maar nochtans en evenwel heb ik met het bloed van Jezus een vrijmoedige aanspraak om in te gaan. In dat bloed ben ik rein. In dat bloed gewasschen. In dat bloed voor eeuwig goed en eeuwig gezegend". —

Geliefden! er zijn-allerlei gestichten in deze wereld. Er zijn weeshuizen, waar alleen weezen worden opgenomen. Er zijn ziekenhuizen, waar alleen zieken worden opgenomen. Er zijn armenhuizen, waar geen rijken, maar alleen armen worden opgenomen. Wie dus arm is, voor dien is er een wet, dat hij mag en moet komen. Juist omdat hij zóo arm is, geeft hem dit arm-zijn de vrijmoedigheid en het recht, om in te gaan. Hoe armer des te beter. Zoo nu staat de hemel open voor den armste en ellendigste. Voor dezen liggen alle mogelijke genadeschatten. O deze ellendige, diep in nood, gansch van heul en hulp ontbloot, brenge maar mede wat de Ileere Zelf aan het kruis heeft verworven, het bloed van Jezus, en voor dat bloed gaat de hel op de vlucht en openen zich de poorten van het Paradijs.

Sluiten