Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

belang, toch moeten wij voor dezen grijzen voortijd dankbaar ook den kleinsten bouwsteen gebruiken.

Reeds in de eerste helft van het derde millenium vóór Chr. heeft het land Kanaan eene Semietische bevolkingAireede bestaan en bloeien Fenicische steden. Reeds in <le oudste tijden, waarvan de geschiedenis melding maakt, hebben de Egyptenaren handelsbetrekkingen aangeknoopt met het gebied van den Libanon. Maar de Farao's der vijfde dynastie maken aanspraak ook op het bezit van het land Kanaan en verdedigen hun recht.

Het peil der beschaving der oudste Semietische bewoners van het land mag men zich niet te laag voorstellen. Noch door hun kleeding noch door hun wapenen munten de Egyptenaren ver boven hen uit. Akkers, wijngaarden, vijgeboomen worden genoemd. Talrijke burchten verheffen zich in het land. Kunstvaardigheid blijkt uit den bouw der steden. Dit zien wij niet alleen uit de afbeelding der stad Nedi'a, maar ook uit de opgravingen der oudste lagen te Megiddo en Gezer.

Ongeveer 2600 v. Chr. schijnt echter eene nieuwe volksverhuizing op te komen en de Egyptische heerschappij in Kanaan te bedreigen. Alvorens wij hierop nader ingaan vergelijken wij eerst het getuigenis der oudste Babylonische bronnen.

De oudste Babylonische opschriften in spijkerschrift zijn volgens de meest waarschijnlijke berekening slechts weinig jonger dan de oudste Egyptische. Omstreeks het jaar 3000 vóór Chr. was Babylonie verdeeld in eene reeks van staatkundig onafhankelijke steden, die echter nauw verbonden waren door eene zelfde hooge beschaving,

Sluiten