Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

2®) E. Sellin, Teil Ta'annek (Denkschriften d. Kais. Akadcmic der IVtssensch., Phil.-hist. Klasse, jo. Band), Wien 1904, 5. 28.

Sinuhe r. 31.

28) Sinuhe r. 94.

^ Vergel. ff. Al. Miiller in: Oriëntalist. Literaturzeitung 1901, .S'. 8.

8°) R. A. St. Alacalister, The Excavation of Gezer, Vol II, 1912, p. 312 ss.

31) Breasted, Ancient Records I 680; Gressmann-Ranke, Texte u. Bilder I 235. De identificatie met Sichem (wellicht in meervoud : „land der Sichemieten") is tenminste zeer waarschijnlijk. Sichem wordt ook in de Amarnateksten (ed. Knudtzon Nr. 289 r. 23) en in den Papyrus Anastasi I (tijd van Ramses II) genoemd. Prof. Sellin verkreeg eene concessie voor opgra vingen aldaar (in de nabijheid der stad Nabulus). Van deze onderneming mogen wij veel verwachten.

32) M. Burchardt, Die Altkanaandischen Fretndworte u. Eigennamen im Aegyptischen, Leipzig, 1910.

33) /-. IV. Kine;, Chronicles concerning Early Babylonian Kings, VoL II, 1907, p. 22.

34) Vergel. F. Bork, Die Alitannisprache (Mitteil. der Vorderasiat. Gesellsch. 1909). Ook de taal van het rijk Chatti zal spoedig geen geheim meer bergen, sedert in 1911 bilingue teksten gevonden werden.

®) Afittcilungen der Deutschen Orient-Gesellschaft Nr. 35, Dec. 1907, 5. 51.

36) Put-i-Chepa (dit is de juistere lezing van den meestal Abdichiba gelezen naam) van Jeruzalem en Labaja van Sichem (?).

Pi-of. B. D. Eerdmans, Alttestament/iche Studiën II, 1908, .S'. 67 ff.

38) R. A. ,S7. Alacalister, The Excavatioti of Gezer, Vol. III, PI. CCIVb fig. 16 (Scarabaeus).

•®) De overgang van ch in r is echter een groot bezwaar.

40) Breasted, Ancietit Records Vol. II 13.

41) Breasted a. u>. II 416.

42) Breasted a. tv. II 391—540; Gressmann-Ranke, Texte u. Bilder \ 2i(> ff.

43) IV. Af. Miiller, Die Palastinaliste Thutmosis III (Aiitfeil. d. Vorderasiat. Gesellsch. 1907, 1).

44) Atnarna, ed. Knudtzon, N. 264, 15—19 (verge.l. Psalm 139, 8; voor irsitu = „onderwereld, hel" vergel. Hellevaart van Istar, Rev. I. 8); N. 266, 10—15 (vergel. ook r. 19—25). Dit zijn duidelijk citaten uit godsdienstige hymnen, die pas later op den Farao zijn toegepast. De „glossen" bewijzen, dat deze hymnen oorspronkelijk in 't Hebreeuwsch (of Amorietisch) waren gesteld. De Psalmen-literatuur gaat dus terug tot in overoude tijden.

Sluiten