Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

woordelijkheid de belijder zich brengt, die openlijk voor God en de gemeente verklaart het Geloof, hetwelk eenmaal den heiligen overgeleverd is, te beamen en buiten de ervaring en beleving van deze heilswaarheden nimmer zalig te kunnen worden, ja zelfs zijn verdoemenis te zullen verzwaren.

Maar hoe nu zulk een belijdenis het gevaar met zich brengt van de menschen in vleeschelijke gerustheid op een valschen grond neer te zetten, verklaar ik met den besten wil ter wereld niet te begrijpen.

Want met hen in te schrijven op deze gedane belijdenis, verklaart wel de kerk harerzijds, dat ze hen aanneemt en erkent als leden van het kerkelijk instituut, of van de zichtbare kerk op aarde, en hen neemt onder haar bizonder opzicht, bestier en tucht, onder de gezegende bediening des Verbonds, maar hiermee wordt ganschelijk geen uitspraak gedaan over hun begenadigd öf onbegenadigd zijn, zoomin als deze belijders zichzelven een certificaat uitreikten aangaande hunnen staat voor God. Zóó blijft dus effen en open de weg voor leeraar en opziener, om in leering en bestier de lidmaten toe te spreken naar gelang van den zielstoestand, dien zij openbaren.

Anders echter licht de zaak op het standpunt dat de Geref. Kerken innemen betreffende het doen van belijdenis en daaraan verbonden toegang tot den H. Disch.

Wanneer men eenmaal onergelijke doopleden belijdenis afgenomen heeft op zoodanige vragen als alleen door veranderde menschen bevestigend kunnen beantwoord worden; hun de belofte heeft afgevorderd van te zullen volharden in de gebruikmaking des Avondmaals; en hen die zich alzoo als geloovigen

Sluiten